Van Aanvullende zorgactiviteit tot Zzp
AMEN, classificatiesysteem, EBP, EPD, suïcidale ideatie, maar ook: marktwerking, NZa, DBC, zorgzwaartepakket, transmurale coördinatie, ketenlogistiek, werklast, informatiesysteem, en: bias, cohort, empirisch, rijpercentages… Wat hebben al die begrippen eigenlijk met zorgverlening te maken? Lees verder
Alles: dit zijn nog maar enkele van de vele termen waarmee verpleegkundigen geconfronteerd worden. En al staan deze begrippen ogenschijnlijk ver af van de zorgvrager, het gaat hierbij wel om de voorwaarden die nodig zijn voor een verantwoorde zorgverlening.
Deze woordenlijst is ontstaan uit enthousiasme over de ontwikkeling die het vak verpleegkunde in de afgelopen decennia heeft doorgemaakt. In het nieuwe studiemateriaal voor de opleiding tot verpleegkundige passeren heel wat nieuwe begrippen en definities de revue. Bij de samenstelling van deze verklarende woordenlijst is o.a. geput uit een groot aantal studieboeken voor verpleegkundigen, waaronder de reeks Effectief Verplegen (handboeken voor evidence based verpleegkundig handelen). Voor de primaire bronnen verwijzen wij naar deze studieboeken.1
De inhoud van dit woordenboekje is afgestemd op de dagelijkse praktijk en het verpleegkundig onderwijs. Daarbij is rekening gehouden met zorgverlening in ruime zin. Zo zijn bijvoorbeeld termen opgenomen die te maken hebben met de directe beroepsuitoefening, maar ook met (case)management, organisatie van zorg, onderzoek van effectiviteit en kosten van zorg, doelmatige planning van zorg, onderwijsontwikkeling, verplegingswetenschappelijk onderzoek, nieuwe technologie (ict), etc.etc.
Deze woordenlijst is niet bedoeld om veel gebruikte classificaties opnieuw te vertalen, al hebben die een onschatbare rol gespeeld in de ontwikkeling van eenduidige taal. Classificaties voorzien in standaardisering en definiëring van nieuwe kennis. Belangrijke classificaties zijn b.v. de ICF voor multidisciplinair gebruik in de gezondheidszorg.2 Op het specifieke terrein van de verpleegkunde zijn classificaties ontwikkeld voor verpleegkundige diagnoses (NANDA), verpleegkundige interventies (NIC) en resultaten (NOC), die echter (deels) in Nederlandse vertaling reeds beschikbaar zijn.
Noten
1 Met dank aan onze auteurs/redacteuren van o.a. Doelmatige zorg, Effectief Verplegen, Kwaliteitszorg en patiëntveiligheid, Op zoek naar evenwicht, Studievaardigheden, Verpleegkundig onderzoek, Verpleegkundige besluitvorming, Verpleegkundige informatiekunde e.a. titels uit het Kavanah-fonds.
2 De ICF is integraal openomen in het computerprogramma ZORG (een simulatie van het EPD), als een van de mogelijkheden om verpleegproblemen te benoemen.
| Term | Verklaring | |
|---|---|---|
| Aanvullende zorgactiviteit | Activiteit die voor een zorgontvanger wordt uitgevoerd door een willekeurige andere zorgverleningspartij dan een zorgverlener. | |
| Accreditatie | Accreditatie is de erkenning door een gezaghebbende organisatie dat een andere organisatie of persoon competent is om een bepaalde taak uit te voeren. De Raad voor Accreditatie is de gezaghebbende organisatie die accreditaties verleent aan certificatie-instellingen. | |
| Actant, zorg- | Persoon, organisatie en/of voorziening die actief betrokken is bij een zorgactiviteit | |
| Activity based methode | Werklastberekeningsmethode op basis van individuele verpleeg-/zorg-/behandelplannen. | |
| ADL | Algemene Dagelijkse Levensverrichtingen: verrichtingen die voor alle mensen gelijk zijn en dagelijks worden uitgevoerd, omdat ze elementair en levensnoodzakelijk zijn. | |
| ADPIE-model | Indeling verpleegkundig proces in 5 fasen (met toevoeging van diagnostiek), zie ook: APIE-model. | |
| Adverse event = onbedoelde schade | Een onbedoelde uitkomst die is ontstaan door het (niet) handelen van een zorgverlener en/of door het zorgsysteem met schade voor de patiënt, zodanig ernstig dat er sprake is van een tijdelijke of permanente beperking, verlenging of verzwaring van de behandeling dan wel overlijden van de patiënt. | |
| Adverse event = vermijdbare schade | Een onbedoelde uitkomst/gebeurtenis die is ontstaan door het onvoldoende handelen volgens de professionele standaard en/of door tekortkomingen van het zorgsysteem met schade voor de patiënt/cliënt, zodanig ernstig dat er sprake is van een tijdelijke of permanente beperking, verlenging of verzwaring van de behandeling dan wel overlijden van de patiënt. Toelichting: 1. Een vermijdbaar adverse event is dus niet het (logische) gevolg van de ziekte/aandoening of van een goed afgewogen risico of ingecalculeerd neveneffect van een behandeling (complicatie), maar het gevolg van een of meer fouten van de hulpverlener of tekortkomingen in de organisatie van de zorg. 2. Een calamiteit kan worden gezien als een zeer ernstige adverse event. | |
| Afleiding | De aandacht van de patiënt doelbewust op iets anders richten dan op ongewenste sensaties. | |
| Afschrijving | De waardevermindering door veroudering van een duurzaam artikel of goed. | |
| Agressie | Agressie is een vorm van gedrag om (minder of meer) bewust pijn, vernedering of schade bij anderen te berokkenen om zo een bepaald doel te bereiken. | |
| Agressiebeheersing | Vermogen om offensief, gewelddadig of destructief gedrag jegens anderen te bedwingen. | |
| AGZ | Algemene gezondheidszorg | |
| AIDS | Acquired Immune Deficiency Syndrome | |
| Ambulante zorg | Zie: Extramurale gezondheidszorg | |
| AMEN | Afspraken Maken En Nakomen | |
| Anamnese | In het verpleegkundig proces wordt hiermee de fase aangeduid waarin de problemen geïnventariseerd of vastgesteld worden. | |
| Angst | Vaag, onbehaaglijk gevoel met een voor de patiënt meestal onduidelijke of onbekende bron. | |
| Angstbeheersing | Vermogen om gevoelens van onheil en gespannenheid met een onbekende oorzaak te verminderen of weg te nemen. | |
| Angstreductie | Beperken van gevoelens van ongerustheid, angst, onheil of onbehaaglijkheid die verband houden met een niet-specifieke bron van verwacht gevaar. | |
| Antropologisch | Letterlijk: menskundig; vaak gebruikt als menselijke samenlevingen bestuderend. | |
| APIE-model | Indeling verpleegkundig proces in 4 fasen (assessment, planning, implementation, evaluation). | |
| Arbeidsproductiviteit | De hoeveelheid producten, diensten of werk die geleverd wordt. | |
| Arbeidssatisfactie | De (mate van) tevredenheid met werk of baan. | |
| ARBO | Arbeidsomstandigheden | |
| A-segment | Het segment van de gezondheidszorg waarvoor (nog) geen vrije tarieven gelden. | |
| Aselect | Een manier van steekproef trekken die maakt dat elk individu uit de onderzoekspopulatie een even grote kans heeft om in de steekproef te komen, het lot bepaalt. | |
| Assessment | Beoordeling t.b.v. het meten van kennis, vaardigheden en competenties in een beroepsrelevante context aan de hand van objectieve en gestandaardiseerde criteria. | |
| Assessor | Beoordelaar in een assessment. | |
| Associatiemaat | Een maat die het verband tussen twee variabelen aangeeft, bijvoorbeeld een correlatiecoëfficiënt. | |
| Attributief risico | Het risicoverschil voor mensen onder verschillende omstandigheden. | |
| Audit | Kwaliteitsevaluatie: een systematisch en onafhankelijk onderzoek om te bepalen of kwaliteitsactiviteiten en de resultaten hiervan overeenkomen met vastgelegde regelingen en of deze laatste doeltreffend ten uitvoer zijn gebracht en geschikt zijn voor het bereiken van de doelstellingen. Ook: systematisch, onafhankelijk en gedocumenteerd proces voor het verkrijgen van audit bewijsmateriaal en het objectief beoordelen daarvan om vast te stellen in welke mate aan overeengekomen auditcriteria is voldaan. Een audit kan zowel intern als extern worden uitgevoerd. | |
| Audit criteria | Geheel van beleidslijnen, procedures of eisen (normen) die worden gebruikt als referentie. | |
| Autoanamnese | Ander begrip voor de anamnese die wordt afgenomen bij de patiënt zelf (dus niet bij familie of anderen). | |
| Automutilatie | Zichzelf opzettelijk (niet-dodelijk) letsel toebrengen; ook ernstige vormen van zelfverwondend gedrag met een duidelijk verminkend karakter, zoals het uitsteken van ogen of de amputatie van lichaamsdelen (meestal tijdens een psychotische episode). | |
| AVVV | Algemene Vereniging Verpleegkundigen en Verzorgenden, koepelorganisatie die de belangen behartigt van de aangesloten beroepsverenigingen van verpleegkundigen, zie ook V&VN. | |
| AWBZ | Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten: op grond van deze wet wordt de care-sector grotendeels gefinancierd. | |
| Balans | Momentopname van de financiële toestand van een organisatie of instelling. | |
| Basisechelon | De preventieve gezondheidszorg | |
| Bedieningstijd | Daadwerkelijk aan zorgvragers bestede tijd | |
| Begroting | Een schatting van voor een komende periode benodigde personele en/of materiële middelen (of verwachte opbrengsten), veelal in geld uitgedrukt. | |
| Belasting (van mantelzorger) | Mate van biopsychosociale druk op iemand die langdurig voor een familielid/significante ander zorgt. | |
| Beleidsgerichte budgettering | Methode van interne budgettering op basis van door organisatieonderdelen geformuleerd en vastgesteld beleid. | |
| Benauwdheid | Een afwijkende gewaarwording, zich uitend in het gevoel geen of onvoldoende lucht te krijgen. | |
| Beoogd resultaat | Het beoogde resultaat is een weergave van de nagestreefde effecten van verpleegkundige tussenkomst en is gebaseerd op de gestelde diagnose, prognose en de voorgenomen interventie. | |
| Beoordelingscriterium | Kenmerk waarop gedragingen en/of producten (conform SMART) worden beoordeeld. | |
| Beroepsloopbaanbegeleider | Ervaren beroepsbeoefenaar die op grond van zijn deskundigheid t.a.v. een bepaald beroep in staat en bereid is mensen te begeleiden en te coachen bij de ontwikkeling van hun beroepscompetenties. | |
| Beschrijvende epidemiologie | Informatieverzameling t.b.v. planning, preventie en behandeling; houdt zich bezig met de omvang of de frequentie van gezondheidsproblemen. | |
| Besluitvorming | Vermogen om een keuze te maken uit twee of meer alternatieven. | |
| Besluitvorming, ondersteuning bij | Informatie verstrekken aan en ondersteunen van de patiënt die een besluit moet nemen over de zorg/behandeling. | |
| Besluitvormingsanalysemethode | Methode om te bepalen welke informatie groepen of personen nodig hebben ten behoeve van de door hen te nemen besluiten. | |
| Bestelhoeveelheid (Q) | De hoeveelheid (‘quantity’) die van een artikel besteld moet worden zodra de voorraad beneden het bestelniveau is. | |
| Bestelniveau (B) | De voorraad die van een bepaald artikel minimaal aanwezig moet zijn. | |
| Bestuurlijk informatiesysteem | Informatiesysteem waarmee de informatie die voor het besturen van een organisatie, afdeling of proces (productieproces / dienstverleningsproces) noodzakelijk is, wordt verzameld, vastgelegd, verwerkt en verstrekt. | |
| Betrouwbaarheid | De mate waarin herhaalde metingen van hetzelfde onder dezelfde omstandigheden dezelfde uitkomst geven; ook wel nauwkeurigheid, precisie, herhaalbaarheid of reproduceerbaarheid genoemd. | |
| Bevordering van coping | De patiënt helpen zich aan te passen aan vermeende stressoren, veranderingen of bedreigingen die hem belemmeren in de vervulling van zijn taken en rollen. | |
| Bewindvoerder | Degene die de materiële belangen en financiën behartigt van een zorgvrager die daartoe zelf niet in staat is. | |
| Bewust genomen risico | Een door de hulpverlener afgewogen risico of ingecalculeerd neveneffect van een behandeling die in de vakliteratuur is beschreven en waarbij het beoogde effect van de behandeling van groter belang wordt geacht dan de ernst van de schade of de kans op het ontstaan daarvan. | |
| Bezettingsgraad | De mate waarin duurzame gebruiksmiddelen (gebouwen, apparatuur, aantal beschikbare bedden, e.d.) daadwerkelijk worden gebruikt (benut) ten opzichte van het maximaal mogelijke gebruik. | |
| Bezettingsplan | Personeelsplanning met een perspectief van maximaal 1 jaar. | |
| Bias | Vertekening; hiervan wordt gesproken als er systematische fouten zijn in tegenstelling tot toevallige fouten die geen vertekening geven maar de precisie schaden. | |
| BIG | (Wet) Beroepsuitoefening Individuele Gezondheidszorg | |
| Bivariate analyse | Een analyse waarbij twee variabelen betrokken worden; vergelijk univariate en multivariate analyse. | |
| Blindering | Hiervan is sprake als patiënten niet weten in welke controlegroep zij zitten (met of zonder placebo danwel experimenteel middel): zij zijn geblindeerd. | |
| BMI | Body Mass Index: antropometrische maat waarin lichaamsgewicht in verband wordt gebracht met lichaamslengte (ook wel Quetelet-index genoemd). | |
| BQ-systeem | Systeem waarbij een bepaalde hoeveelheid Q van een artikel besteld wordt zodra de voorraad lager is dan een bepaald niveau B. | |
| Bruto-netto berekening | Berekening hoeveel dagen of uren een medewerker in een bepaalde periode daadwerkelijk (= netto) werkt (inzetbaar is), uitgaande van diens (bruto) aanstelling, na aftrek van vrije dagen, ziekte, vakantie, cursussen, e.d. | |
| B-segment | Het segment van de gezondheidszorg waarvoor vrije tarieven gelden. | |
| Budget (of taakstellende begroting) | De voor een komende periode toegestane of vastgestelde inzet of verbruik van personele en/of materiële middelen (of gewenste opbrengsten), veelal in geld uitgedrukt. | |
| Budgethouder | Degene die een bepaald toegekend budget beheert en bewaakt. | |
| Budgetsegment | Datgene waarop een bepaald budget betrekking heeft. | |
| Budgetteringscyclus | De (meestal jaarlijkse) cyclus die doorlopen wordt ter bepaling, vaststelling, tenuitvoerlegging, bewaking en toetsing van een budget. | |
| Calamiteit | Een niet beoogde of onverwachte gebeurtenis in de gezondheidszorg die tot de dood of een ernstig schadelijk gevolg voor een cliënt heeft geleid, optredende bij een (para)medische, verpleegkundige of verzorgende handeling of bij de toepassing van een product of apparaat in de gezondheidszorg dan wel voortkomend uit een manco in een voorziening of een kwaliteitsafwijking van een product of apparaat dat toepassing vindt in de gezondheidszorg. | |
| CAO | Collectieve Arbeidsovereenkomst | |
| CARA | Chronische Aspecifieke Respiratorische Aandoeningen | |
| Care sector | De sector van de gezondheidszorg die niet primair op genezing, maar op verpleging, verzorging en huisvesting is gericht. | |
| Casemanager | Degene die voor één of meerdere individuele zorgvragers toezicht houdt op hun totale zorgproces of dit behartigt. | |
| Causaal | Oorzakelijk; de grootte of aanwezigheid van het ene concept wordt door het andere bepaald. | |
| CBO | Centraal Begeleidingsorgaan voor Intercollegiale Toetsing | |
| Centrale Indicatiestelling Zorg | Het orgaan dat wettelijk bevoegd is om vast te stellen voor welke zorg iemand op grond van de AWBZ in aanmerking komt. | |
| Centrale tendentie | De maten met behulp waarvan de gegevens van een grote groep mensen worden gerangschikt en samengevat, te weten: het gemiddelde, de mediaan en de modus. | |
| Certificatie | Activiteiten op grond waarvan een onafhankelijke instantie kenbaar maakt dat er een gerechtvaardigd vertrouwen bestaat in het feit dat een duidelijk omschreven onderwerp van certificatie in overeenstemming is met een bepaalde norm of een bepaald eisenstellend document. | |
| CIZ | Centrale Indicatiestelling Zorg: het orgaan dat wettelijk bevoegd is om vast te stellen voor welke zorg iemand op grond van de AWBZ in aanmerking komt. | |
| Classificatiesysteem | Systeem waarin de begrippen in een bepaalde orde verschijnen: begrippen worden in een classificatie met elkaar in relatie gebracht. | |
| Classificeren | Het ordenen van begrippen volgens generieke relaties. | |
| Cliënt | De cliënt is de afnemer van de zorg- en dienstverlening van de organisatie. In sommige sectoren wordt de term cliënt gehanteerd. Met de cliënt wordt in sommige gevallen ook het cliëntsysteem (cliënt én direct betrokkenen genoemd). Met de cliënt wordt ook bedoeld zijn wettelijke vertegenwoordiger. | |
| Cliëntveiligheid | Het (nagenoeg) ontbreken van (de kans op) aan de patiënt toegebrachte lichamelijke en/of psychische schade die is ontstaan door het niet volgens de professionele standaard handelen van zorgverleners en/of door tekortkomingen van het zorgsysteem. | |
| Co-assessment | Zelfbeoordeling en het vragen van feedback aan medestudenten, collega’s en/of docent-begeleiders. | |
| Cohort | Groep waarbij je een heel leven lang blijft horen (b.v. de groep van studenten HBO-V die in 2003 begon). | |
| Cohort-onderzoek | Onderzoek waarbij men twee groepen mensen (cohorten), een met en een zonder een bepaalde expositie, in de tijd vervolgt en afwacht hoeveel mensen in | |
| Communicatie, verstoorde verbale | De mate waarin een individu minder goed of niet in staat is om informatie over te brengen of van een ander te ontvangen. Er zijn problemen met het uitwisselen van gedachten, ideeën of wensen. | |
| Competentie | Het geheel van kennis, vaardigheden en attitude (beroepshouding) dat nodig is om in een bepaald beroep aan de geldende kwaliteitseisen te voldoen. | |
| Competentiegericht onderwijs | Onderwijs dat gericht is op het geïntegreerd aanleren van kennis, vaardigheden en attitude voor een bepaald beroep. | |
| Complicatie | Een onbedoelde en ongewenste uitkomst tijdens of volgend op het (niet) handelen van een hulpverlener, die voor de gezondheid van de cliënt zodanig nadelig is dat aanpassing van het medisch (be)handelen noodzakelijk is dan wel dat er sprake is van (onherstelbare) schade. | |
| Concept | 1 Een abstract begrip dat op grond van waarnemingen of theoretische gronden geconstrueerd is; concepten vormen de bouwstenen van theorieën; zij kunnen pas na operationalisatie tot een variabele gemeten worden, bijvoorbeeld sociale klasse kan tot opleiding of inkomen geoperationaliseerd worden. 2 Eenheid van gedachte die door abstractie is ontwikkeld op basis van gemeenschappelijke eigenschappen van een verzameling van één of meer referenten. | |
| Conformiteit | Het voldoen aan een eis (norm). | |
| Confounding | Verstorende factor, die een schijnverband teweeg brengt | |
| Continu verbeteren | Zich herhalende activiteit om het vermogen om aan eisen te voldoen te vergroten. Het proces van het vaststellen van doelstellingen en het vinden van kansen voor verbetering is een continu proces dat gebruik maakt van audit bevindingen en audit conclusies, analyse van gegevens, directiebeoordelingen of andere | |
| Continue | De eigenschap van een variabele dat hij alle mogelijke waarden aan kan nemen in tegenstelling tot discreet; voorbeeld: leeftijd versus aantal kinderen. | |
| Conventionele budgettering | Methode van interne budgettering conform van buitenaf of van hogerhand vastgestelde criteria. | |
| Coördinatie | Het op elkaar afstemmen - van de zorg of behandelingen verricht door een zorgverlener (coördinatie op microniveau) - van menselijke arbeid, materiële middelen en financiële middelen in een organisatie (coördinatie op mesoniveau) - van de zorg of behandelingen verricht door een bepaalde discipline (monodisciplinaire coördinatie) - van de zorg of behandelingen verricht door verschillende betrokken disciplines (multi- of interdisciplinaire coördinatie) - van de zorg of behandelingen verricht door verschillende betrokken zorginstellingen of –instanties (transmurale coördinatie) | |
| COPD | Chronisch obstructief longlijden | |
| Coping | Verzameling van gedachten en gedragingen met het doel het evenwicht tussen draaglast en draagkracht te herstellen als deze bedreigd wordt door stress. | |
| Coping, bevordering van | De patiënt helpen zich aan te passen aan vermeende stressoren, veranderingen of bedreigingen die hem belemmeren in de vervulling van zijn taken en rollen. | |
| Correctie | Maatregel genomen om een waargenomen afwijking weg te nemen. | |
| Correlatie | Samenhang; voor op interval gemeten variabelen wordt de Pearsons r, voor ordinaal gemeten variabelen de Spearmans r of Kendalls tau correlatiecoëfficiënt gebruikt om de mate van samenhang weer te geven. | |
| Correlatie- (of ecologisch) onderzoek | Onderzoek dat niet met behulp van zelf verzamelde gegevens wordt uitgevoerd, maar waarbij men probeert al bestaande gegevens met elkaar in verband te brengen. | |
| Corrigerende maatregel | Maatregel om de oorzaak van een waargenomen afwijking of andere ongewenste situatie weg te nemen. Corrigerende maatregelen worden getroffen om herhaling te voorkomen. Preventieve maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat zich iets voordoet. | |
| Corroboreren | Ondersteunen of bevestigen; hiervan wordt gesproken wanneer onderzoeksbevindingen in overeenstemming zijn met theoretische verwachtingen. | |
| Counseling | Toepassen van een interactief hulpverleningsproces dat gericht is op de behoeften, problemen of gevoelens van de patiënt en significante anderen, met als doel: de coping- en probleemoplossende vaardigheden en interpersoonlijke relaties te verbeteren of te ondersteunen. | |
| CPM | Critical Path Method, voorbeeld van een klinisch pad (zie aldaar). | |
| Crisisinterventie | Toepassen van counseling op korte termijn om de patiënt te helpen met een crisis om te gaan en weer op hetzelfde of een beter niveau te gaan functioneren dan voor de crisis. | |
| Critical Success Factors Methode | Methode om te bepalen welke informatie een manager nodig heeft om de factoren te kunnen bewaken die van invloed zijn op het bereiken van bepaalde doelstellingen. | |
| CTG | cognitieve gedragstherapie | |
| Curatieve gezondheidszorg | De gezondheidszorg die zich niet zozeer richt op het voorkómen van ziekten, gebreken of handicaps, maar op genezing, verpleging, verzorging en/of behandeling ervan. | |
| Curator | Zie: Bewindvoerder | |
| Cure sector | De sector die primair op genezen is gericht | |
| CVA | Cerebro Vasculair Accident | |
| DBC | Diagnose Behandeling Combinatie: een bepaalde reeks behandelingen gekoppeld aan een bepaalde diagnose waarvoor een bepaald tarief is vastgesteld of wordt afgesproken. | |
| Decision support programma | Computerprogramma waarmee een manager op basis van verzamelde informatie optimale besluiten kan nemen. | |
| Decubitus | Degeneratieve verandering van het weesel die ontstaat door een zuurstoftekort t.g.v. druk en schuifkracht. De duur en intensiteit van de druk en schuifkracht noodzakelijk om decubitus te veroorzaken, wordt beïnvloed door de weefseltolerantie. | |
| Deductief | Afgeleid vanuit een theorie, in tegenstelling tot inductief. | |
| Deelcalculatie methode | Bepaalde methode om de indirecte kosten toe te rekenen (door te berekenen) naar het primaire proces. | |
| Defecatie | Stoelgang, ontlastingspatroon | |
| Defensieve coping | Herhaalde projectie van een ongerechtvaardigd positieve zelfbeoordeling binnen een patroon van zelfbescherming tegen vermeende bedreigingen van een positief zelfbeeld. | |
| Degressief variabele kosten | Kosten die minder dan evenredig toe- of afnemen naarmate de productie of dienstverlening toeneemt of afneemt. | |
| Delirium | Acuut optredende verwardheid | |
| Delphimethode | Methode waarmee getracht wordt een beeld van de toekomst te verkrijgen door het (veelal geanonimiseerd) raadplegen van deskundigen. | |
| Delphi-onderzoek | Onderzoeksvorm waarin resultaten verkregen worden door de mening van deskundigen te inventariseren en in verschillende Delphi-ronden tot overeenstemming (consensus) te komen. | |
| Deming circle | Verbetercyclus, ook wel Plan-Do-Check-Act (PDCA) genoemd. Met betrekking tot kwaliteit wordt deze als volgt beschreven: Plan: Bepalen van de gewenste kwaliteit van zorg die de organisatie levert Do: Uitvoeren wat er is bepaald/vastgelegd Check: Bewaken en controleren of daarmee de kwaliteit is behaald Act: Verbeteren van de kwaliteit | |
| Design | Onderzoeksontwerp | |
| Diagnose Behandeling Combinatie | Een bepaalde reeks behandelingen gekoppeld aan een bepaalde diagnose waarvoor een bepaald tarief is vastgesteld of wordt afgesproken. | |
| Diagnose, verpleegkundige | 1 Een vaststelling van iemands feitelijke of mogelijke reacties op gezondheidsproblemen of levensprocessen, op grond waarvan verpleegkundige zorg kan worden verleend. 2 Een verpleegkundige diagnose is een klinische uitspraak over de reacties van een persoon, gezin of groep op feitelijke of dreigende gezondheidsproblemen en/of levensprocessen. De verpleegkundige diagnose is de grondslag voor de keuze van verpleegkundige interventies, voor de resultaten waarvan de verpleegkundige aansprakelijk is (NANDA). | |
| Diagnostische epidemiologie | Onderzoek waarbij wordt nagegaan met welke diagnostische tests men het best een bepaald gezondheidsprobleem kan identificeren. Zie ook: klinische epidemiologie. | |
| Dichotoom | Slechts twee waarden aannemend; eigenschap van een variabele, bijvoorbeeld geslacht. | |
| Dienstlijst | Registratie van de daadwerkelijk door het personeel vervulde diensten. | |
| Dienstrooster | Registratie van de daadwerkelijk door het personeel vervulde diensten. Planning van de door het personeel te vervullen diensten. | |
| Dienstverlenende organisatie | Een organisatie die iets met mensen doet (de input van het primair proces zijn te behandelen personen, de output zijn de behandelde personen). | |
| Differentiatie | Die fase van een opleiding waarin de student, ter verbreding en/of verdieping, bepaalde keuzes kan maken voor zijn afstudeerprofiel. | |
| Directe kosten | Kosten welke rechtstreeks verband houden met het primaire proces (het productieproces of het dienstverleningsproces) van een organisatie. | |
| Discreet | De eigenschap van een variabele dat hij alleen welomschreven waarden aan kan nemen in tegenstelling tot continue; voorbeeld: aantal kinderen versus leeftijd. | |
| Disease management | Disease management is een aanpak waarbij de patiënt centraal staat en waarbij wordt voorzien in een zoveel mogelijk sluitende keten van vroegtijdige onderkenning, preventie, zelfmanagement en zorg. Zie ook: transmurale zorg. | |
| Disfunctionele patronen | Gedrag dat niet aan de maatstaven en normen van gezondheid en welzijn voldoet; disfunctionele gezondheidspatronen kunnen worden gedefinieerd als gezondheidsproblemen en kunnen worden beschreven als een of meer verpleegkundige diagnoses. | |
| Doelmatigheid | De mate waarin iets effectief en efficiënt is. | |
| Doorlooptijd | De som van toegangstijd, wachttijd en bedieningstijd. | |
| DSM-IV | Diagnostic Statistical Manual | |
| Dubbelblind onderzoek | Hiervan is sprake wanneer niet alleen de patiënt, maar ook de zorgverlener geblindeerd is, d.w.z. niet weet in welke groep de patiënt zit (met een placebo danwel een experimenteel middel). | |
| DWS | Decubitus Wond Score | |
| Dynamische populatie | Zie: open populatie | |
| Dysfasie | Slikstoornis; het abnormaal functioneren van het slikmechanisme, gepaard gaand met afwijkingen in structuur of functioneren van mond, farynx of oesophagus. | |
| Dyspneu | Slikstoornis; het abnormaal functioneren van het slikmechanisme, gepaard gaand met afwijkingen in structuur of functioneren van mond, farynx of oesophagus. | |
| EBP | Het zorgvuldig, expliciet en oordeelkundig gebruik van het beste bewijs van dit moment in het nemen van besluiten in de zorg voor individuele patiënten. | |
| Eerste echelon | De niet-specialistische curatieve gezondheidszorg. | |
| Eerstelijns gezondheidszorg | Zie: Eerste echelon | |
| Eerstverantwoordelijke zorgverlener | Zorgsysteem waarbij elke zorgvrager één zorgverlener heeft door wie of onder diens leiding of begeleiding de uitvoerende zorg alsmede de coördinatie daarvan wordt verricht. | |
| Effectieve coping | Anticiperend gedrag bij een stressvol ervaren situatie die de balans tussen draagkracht en draaglast in stand houdt of deze mogelijk kan herstellen, zonder dat eventuele consequenties van dit gedrag uit het oog worden verloren. | |
| Effectiviteit | De mate waarin doelstellingen daadwerkelijk bereikt of gerealiseerd worden. | |
| Efficiency | De mate waarin zo weinig mogelijk middelen gebruikt of verbruikt worden ter realisatie van bepaalde doelstellingen. | |
| Efficiencyverschillen | De afwijkingen van een vastgesteld budget die een gevolg zijn van (in)efficiency. | |
| e-Health | e-Health is het gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën en met name internettechnologie om gezondheid en gezondheidszorg te ondersteunen of te verbeteren. Het begrip e-Health wordt vaak gehanteerd voor toepassingen waarbij internettechnologie wordt gebruikt om informatie, producten en/of diensten in de zorg aan te bieden. | |
| Eigen vermogen | Bezittingen minus schulden, in geld uitgedrukt. | |
| Eis | Behoefte of verwachting die kenbaar is gemaakt en vanzelfsprekend of dwingend is voorgeschreven. ‘Vanzelfsprekend’ betekent dat het gebruikelijk (of de normale gang van zaken) is voor de organisatie, dat de behoefte of verwachting stilzwijgend bij haar cliënten en andere belanghebbenden wordt verondersteld. Een gespecificeerde eis is een eis die kenbaar gemaakt is in bijvoorbeeld een document | |
| Elektronisch (E-)dossier | Elk dossier dat door middel van computer systeem of systemen gerealiseerd is. | |
| Elektronisch Patiënten Dossier | Het elektronisch patiëntendossier is een verzameling van in het kader van de zorgverlening relevante patiëntgegevens die in relatie tot elkaar door IT-hulpmiddelen onafhankelijk van tijd en plaats door daartoe geautoriseerde benaderbaar zijn. | |
| Emotionele ondersteuning | De patiënt in tijden van stress geruststellen, accepteren en aanmoedigen. | |
| Empirisch | Aan de werkelijkheid ontleend in tegenstelling tot theoretisch. | |
| Empirische cyclus | De kringloop waarlangs wetenschappelijke kennis tot stand komt, deze bevat zowel een inductieve fase waarbij theorie tot stand komt als een deductieve fase waarbij deze theorie empirisch getoetst wordt. | |
| EPD | Elektronisch patiënten dossier | |
| Epidemiologie | De leer van de verspreiding der ziekten en de omstandigheden die met de verspreiding verband houden. | |
| Epidemiologische breuk | De breuk die kenmerkend is voor epidemiologische frequentiematen; teller geeft het aantal gevallen, de noemer de risicopopulatie. | |
| Ervaringsleren | Ervaringsleren is een continu proces, gebaseerd op interactie tussen een individu en zijn omgeving. | |
| Ethiek | Kennis/wetenschap over moreel juist en onjuist handelen | |
| Etiologische epidemiologie | Onderzoek gericht op de oorzaken van gezondheidsproblemen. | |
| Evaluatie | Onderzoek gericht op de oorzaken van gezondheidsproblemen. | |
| EVB | Klinische besluitvorming door de verpleegkundige waarbij deze wetenschappelijke kennis, ervaringskennis en de preferenties van de patiënt meeneemt bij de vaststelling van, voor deze patiënt, effectieve zorg. Dit proces van besluitvorming speelt zich af binnen specifieke (materiële en financiële) voorwaarden. | |
| Evidence based | Wetenschappelijk of proefondervindelijk vastgestelde effectiviteit. | |
| Evidence based practice | Het zorgvuldig, expliciet en oordeelkundig gebruik van het beste bewijs van dit moment in het nemen van besluiten in de zorg voor individuele patiënten. | |
| Evidence based richtlijnen | Evidence based richtlijnen zijn wetenschappelijk onderbouwde, landelijk geldende, vakinhoudelijke aanbevelingen voor optimale zorg voor de patiënt. Ze zijn bedoeld om artsen en andere zorgverleners te ondersteunen bij de klinische besluitvorming. Ze bevatten ook patiëntenvoorkeuren, kostencomponenten en aspecten van implementatie. (CBO richtlijnen 2005, http://www.cbo.nl) | |
| Evidence based verplegen | Klinische besluitvorming door de verpleegkundige waarbij deze wetenschappelijke kennis, ervaringskennis en de preferenties van de patiënt meeneemt bij de vaststelling van, voor deze patiënt, effectieve zorg. Dit proces van besluitvorming speelt zich af binnen specifieke (materiële en financiële) voorwaarden. | |
| EVV | Eerst verantwoordelijke verpleegkundige, zie ook: integrerende verpleegkunde. | |
| EVZ-systeem | Systeem van de eerstverantwoordelijke zorgverlener: zorgsysteem waarbij elke zorgvrager één zorgverlener heeft door wie of onder diens leiding of begeleiding de uitvoerende zorg alsmede de coördinatie daarvan wordt verricht. | |
| Exclusiecriteria | Criteria op grond waarvan iemand geen deel kan uit maken van een onderzoekspopulatie. | |
| Experiment | Onderzoeksdesign waarbij de onderzoeker in de werkelijkheid ingrijpt: hij manipuleert de onafhankelijke variabele; een ‘echt’ experiment of RCT voldoet aan drie voorwaarden: de onderzoeker manipuleert, er is een controlegroep en er is een aselecte toewijzing aan experimentele of controlegroep (randomisatie) in tegenstelling tot observationeel onderzoek. | |
| Exploratie | Het zoeken naar verbanden tussen variabelen zonder dat daar van tevoren hypothesen over opgesteld zijn. | |
| Exposities | Omstandigheden waaronder bepaalde ziektes kunnen ontstaan, of juist niet. | |
| Ex-post-facto designs | Onderzoeksdesigns waarbij het onderzoek pas begint wanneer de te onderzoeken gebeurtenissen al plaatsgevonden hebben, bijvoorbeeld retrospectief onderzoek, patiënt-controle of historisch cohort onderzoek. | |
| Externe budgettering | Bepalen van een budget door een externe instantie. | |
| Extramurale gezondheidszorg | Zorg voor zorgvragers die niet in een zorginstelling zijn opgenomen. | |
| Extrinsieke motivatie | Motivatie die bepaald wordt door andere factoren dan de aard van het werk zelf (bijv. door salaris, status, werksfeer). | |
| Extrinsieke zorgkwaliteit | De mate waarin de kwaliteit van de zorg voldoet aan de wensen en behoeften van de zorgvrager. | |
| Falsificeren | Weerleggen; onderzoeksresultaten zijn in tegenspraak met uitspraken die op grond van theoretische verwachtingen gedaan zijn. | |
| Formatieplaats | Ook: Full Time Equivalent: een volledige baan. | |
| Formatieplanning | Personeelsplanning waarbij meer dan 1 jaar of meerdere jaren vooruit gepland wordt. | |
| Fout/(bijna)fout | Het niet uitvoeren van een geplande actie (fout in de uitvoering) of het toepassen van een verkeerd plan om het doel te bereiken (fout in de planning). Toelichting: In tegenstelling tot het begrip procesafwijking zit in het begrip fout een oordeel besloten. Het oordeel is, dat het niet zo gegaan is als had gemoeten. Een fout is per definitie vermijdbaar, soms ook verwijtbaar. Achteraf kan men bij een procesafwijking tot het oordeel komen dat er sprake is van een fout. Het is ook mogelijk dat er sprake is van een beredeneerde afwijking. | |
| FTE | Full Time Equivalent=formatieplaats: een volledige baan. | |
| Full time equivalent | FTE=formatieplaats: een volledige baan. | |
| Functionele Gezondheidspatronen | Structuur voor het verzamelen en organiseren van gegevens op basis van 11 gezondheidspatronen, ontwikkeld door Gordon (Functional Health Patterns). | |
| FWG | Functiewaardering Gezondheidszorg | |
| Gedragsindicator | Gedrag dat een aanwijzing vormt voor het beheersen van een bepaalde competentie. | |
| Gedragsregulering (automutilatie) | De patiënt helpen automutilerend of ander zelfbeschadigend gedrag te beperken of te stoppen. | |
| Gedragsregulering (seksueel) | Beperken en voorkomen van sociaal onaanvaardbare seksuele gedragingen. | |
| Geëxponeerden | De groep mensen die onder een bepaalde omstandigheid (expositie) verkeert (al dan niet ziekmakend). | |
| Gemiddelde | Een beschrijvende statistische maat van centrale tendentie die verkregen wordt door alle gevonden waarden bij elkaar op te tellen en te delen door het aantal waarnemingen. | |
| Genereren | Opwekken, aanmaken. | |
| Gesloten populatie | Een populatie die gedurende de hele onderzoeksperiode uit dezelfde personen bestaat. | |
| Gezinsvervangend tehuis | GVT: semimurale huisvesting voor lichamelijk of verstandelijk gehandicapten. | |
| Gezondheidspatronen | Ordeningsprincipe, ontwikkeld door Gordon, dat als standaard anamnesestructuur akn worden gebruikt. Dit systeem bestaat uit elf anamnesegebieden, door Gordon Functional Health Patterns (in het Nederlands de functionele gezondheidspatronen) genoemd. Deze patronen vormen een structuur voor het verzamelen en organiseren van gegevens. | |
| GGZ | Geestelijke gezondheidszorg | |
| Grafiek | Grafische weergave van een getallenverzameling. | |
| Groepswerk | Toepassen van (psychotherapeutische en/of andere) technieken in een groep, onder andere door gebruik te maken van de interacties tussen de groepsleden. | |
| GVT | GezinsVervangend Tehuis: semimurale huisvesting voor lichamelijk of verstandelijk gehandicapten. | |
| Helpende | Helpenden verrichten hun werk doorgaans in de persoonlijke leefsfeer van de zorgvrager. Dit kan zowel de eigen woonomgeving zijn, maar ook een vervangende leefomgeving, zoals een verzorgingshuis, een verpleeghuis, of een woonvorm voor lichamelijk of verstandelijk gehandicapten. | |
| Heteroanamnese | Het verzamelen van gegevens via anderen dan de patiënt; het kan hierbij gaan om familieleden, maar ook om andere hulpverleners, zoals de huisarts, wijkverpleegkundige etc. | |
| Hoeveelheidsverschillen | De afwijkingen van een vastgesteld budget, die een gevolg zijn van meer of minder verbruikte hoeveelheden, of van een hogere of lagere bezettingsgraad, dan oorspronkelijk begroot. | |
| Hypothese | Een uitspraak over verbanden tussen twee of meer variabelen die in empirisch onderzoek getoetst kan worden. | |
| IASP | International Association for the Study of Pain | |
| ICD | De ICD is een (WHO)classificatie van ziekten, te definiëren als een stelsel van categorieën waaraan volgens vastgestelde criteria ziekte-entiteiten worden toegewezen. | |
| ICF | International Classification of Functioning, Disability and Health: door de WHO ontwikkeld interdisciplinair categoriseringssysteem voor gezondheidskenmerken. | |
| ICIDH | De ICIDH (een WHO-classificatie) ordent op systematische wijze aspecten van de functionele gezondheidstoestand die verband houden met gezondheidsproblemen zoals een ziekte, een aandoening, letsel of trauma. | |
| ICNP | Internationale Classificatie voor de Verpleegkundige Praktijk | |
| ICT | Informatie en Communicatie Technologie | |
| Ideatie, suïcidale | Het aanhoudend denken aan of overwegen van suïcide. | |
| Idiot proof | De mate waarin informatieverwerkende systemen menselijke vergissingen zoveel mogelijk ondervangen. | |
| Immateriële activa | Datgene wat een organisatie of bedrijf meer waard is dan uitsluitend zijn materiële bezittingen. | |
| Implementatie | Het testen, introduceren en in gebruik nemen van een nieuw systeem, een nieuwe werkwijze of nieuwe apparatuur. | |
| Impulsbeheersing | Vermogen om compulsief of impulsief gedrag zelf onder controle te houden. | |
| Impulsbeheersing, training van | De patiënt helpen impulsief gedrag onder controle te houden door probleemoplossingsstrategieën toe te passen in sociale en interpersoonlijke situaties. | |
| Incident | Een onbedoelde gebeurtenis tijdens het zorgproces die tot schade aan de cliënt heeft geleid of zou kunnen leiden. Bijna-incident/near miss (incident zonder schade): Een onbedoelde gebeurtenis ontstaan door het onvoldoende handelen volgens professionele standaard en/of tekortkomingen van het zorgsysteem, die a) niet nadelig is voor de cliënt omdat de gevolgen op tijd zijn onderkend en gecorrigeerd, of b) waar de gevolgen niet van invloed zijn op het fysiek, psychisch of sociaal functioneren van de cliënt. Zie ook: complicatie en adverse event. | |
| Incidentie | Geeft het aantal nieuwe gevallen van een bepaald gezondheidsprobleem gedurende een bepaalde periode weer, betrokken op de risicopopulatie. | |
| Inclusiecriteria | Criteria op grond waarvan iemand deel kan uitmaken van een onderzoekspopulatie. | |
| Incontinentie | Elke vorm van onvrijwillig verlies van urine of faeces. | |
| Indicator | Een instrument om een tevoren bepaald onderdeel of het resultaat van een proces te meten en het verloop hiervan te kunnen volgen. Het gaat om een meetbaar fenomeen dat een signalerende functie heeft met betrekking tot de kwaliteit van de zorg en de kwaliteit van de organisatie. | |
| Indicatoren | kwaliteitsinstrument, zie: structuurindicatoren, procesindicatoren en uitkomstindicatoren. | |
| Indirecte kosten (overheadkosten) | Kosten welke geen rechtstreeks verband houden met het primaire proces (het productieproces of het dienstverleningsproces), maar wel noodzakelijk zijn. | |
| Inductief | Afgeleid van concrete waarnemingen, in tegenstelling tot deductief. | |
| Ineffectieve coping | Stoornis van het aanpassings- en probleemoplossend vermogen waarmee de patiënt tracht aan de eisen en taken van het leven te voldoen en waarbij de stresshanteringsmethoden niet toereikend blijken om angst, vrees of boosheid te voorkomen of te beheersen. | |
| Ineffectieve ontkenning | Bewuste of onbewuste poging om angst/vrees te verminderen door de wetenschap of betekenis van een gebeurtenis te loochenen (met nadelige gevolgen voor de gezondheid). | |
| Informatieverwerking | Vermogen om informatie in zich op te nemen, te organiseren en te gebruiken. | |
| Informatievoorziening | Het geheel van uitwisseling, opslag, bewerking en presentatie van gegevens binnen en tussen organisaties, inclusief de benodigde infrastructuur. | |
| Information overload | Het overspoeld worden met informatie. | |
| Informed consent | De toestemming van de patiënt voor deelname aan een onderzoek nadat deze over de aard van het onderzoek geïnformeerd is. | |
| INK | Instituut Nederlandse Kwaliteit | |
| Innovatie | De definitie van innovatie is letterlijk ‘invoering van een nieuwigheid’, zie ook: zorginnovatie. | |
| Insluitcriteria | Zie: inclusiecriteria | |
| Integrerende verpleegkunde | Verpleegmodel (ontwikkeld door Grypdonck), dat is gestoeld op het idee om de patiënt als mens centraal te stellen in het verpleegkundig handelen. Om dit mogelijk te maken wordt de verpleegkundige verantwoordelijk voor de totale verpleegkundige zorg rond de haar toegewezen patiënten (eerst verantwoordelijke verpleegkundige). Naast het principe van de patiëntentoewijzing is de verpleegkundige binnen dit model ook verantwoordelijk voor de coördinatie en continuïteit van de zorg ter plekke. | |
| Interactie | Situatie waarin één zorgprofessional zorgdiensten aan een zorgontvanger verleent en/of zijn/haar zorgdossier inziet en bijwerkt, in een ononderbroken proces. | |
| Interne budgettering | De wijze waarop binnen een organisatie of organisatieonderdeel een budget wordt bepaald. | |
| Interval | Meetniveau waarbij tussen de verschillende waarden die een variabele aan kan nemen eenzelfde, vaste afstand bestaat. | |
| Interventie, verpleegkundige | 1 De verrichtingen die de verpleegkundige, samen met de patiënt/cliënt, selecteert om de verpleegproblemen op te lossen. 2 Eén of meer verrichtingen, al dan niet in samenhang met één of meer andere patiënt/cliënt gebonden handelingen, die allemaal een gemeenschappelijk doel hebben en op basis van verpleegkundige besluitvorming gekozen zijn (Bulechek/McCloskey). | |
| Intervisie | Een vorm van vooral mondeling reflecteren in kleine groepen. | |
| Intramurale gezondheidszorg | Zorg voor zorgvragers die in een zorginstelling zijn opgenomen. | |
| Intrinsieke motivatie | Motivatie die bepaald wordt door de aard van het werk zelf. | |
| Intrinsieke zorgkwaliteit | De mate waarin de kwaliteit van de zorg deugdelijk (deskundig en effectief) is. | |
| IV | Integrerende verpleegkunde, zie aldaar. | |
| Jeuk | Een onplezierig gevoel dat aanzet tot de behoefte om te krabben. | |
| Kalmeringstechniek | Verminderen van de angst bij de patiënt die in acute (psychische) nood verkeert. | |
| Kennis, verpleegkundige | (Als fase van het besluitvormingsproces:) de gegevens die de verpleegkundige heeft verzameld over de patiënt. | |
| Kennis, wetenschappelijke | (in de verpleegkunde): Kennis, niet alleen opgedaan uit de verplegingswetenschap, maar ook uit andere vakgebieden. | |
| Kerncompetenties | De competenties zoals die in ‘Met het oog op de toekomst’ beschreven zijn voor verpleegkundigen op mbo- en hbo-niveau. | |
| Ketenkwaliteit | Coördinatie van de zorg- en dienstverlening met betrekking tot afstemming rond de individuele zorg- en dienstverlening tussen alle hierbij betrokken zorg- en dienstverleners. Daarbij kan onderscheid worden gemaakt tussen interne coördinatie (de afstemming tussen de medewerkers van de organisatie) en externe coördinatie (afstemming met medewerkers van andere organisaties). | |
| Ketenlogistiek | Logistiek die er op gericht is een bepaald productie- of dienstverleningsproces als geheel zo effectief en efficiënt mogelijk te laten verlopen. | |
| Ketenzorg | Zorg die er op gericht is het totale zorgproces van een individuele zorgvrager zo effectief en efficiënt mogelijk te laten verlopen. | |
| Klacht | Uiting van ontevredenheid of smart. | |
| Klant | Een ‘klant’ is de afnemer van een goed of een dienst. Dit kunnen in verschillende situaties verschillende personen of organisaties zijn. | |
| Klinisch pad (ook: zorgpad) | Een verzamelling van methoden en hulpmiddelen om de leden van het multidisciplinaire en interprofessionele team op elkaar af te stemmen en taakafspraken te maken voor een specifieke patiëntenpopulatie; concretisering van een zorgprogramma, met als doel: kwalitatieve en efficiënte zorgverlening te verzekeren. | |
| Klinisch redeneren | Het cognitieve proces dat verpleegkundigen gebruiken wanneer ze de gegevens over de patiënt beoordelen en analyseren met als doel zorg te plannen en zorg uit te voeren om positieve patiëntenresultaten te bereiken. | |
| Klinische epidemiologie | De epidemiologie die zich bezighoudt met mensen die al ziek zijn (prognostische en diagnostische epidemiologie). | |
| Klinische paden | Multidisciplinaire zorg-/behandelplannen per diagnose, gekoppeld aan een tijdpad, waarvan de gewenste effecten (‘outcomes’) gedefinieerd en evidence based zijn. | |
| Kolompercentages | De percentages in een tabel berekend over een (verticale) kolom. | |
| Kostenplaatsen methode | Methode waarbij de kosten van zgn. hulpkostenplaatsen (indirecte kosten) volgens bepaalde verdeelsleutels worden doorberekend naar de zgn. hoofdkostenplaatsen, die het primair proces uitvoeren. | |
| Kritisch denken | Dit is zowel een houding als een redeneerproces, waarvoor bepaalde intellectuele vaardigheden vereist zijn; een bepaalde manier van denken die "duidelijk maakt wat we wel weten en wat we niet weten." | |
| Kwadrateren | Met zichzelf vermenigvuldigen. | |
| Kwalitatief onderzoek | Onderzoek waarin de aard der dingen beschouwd wordt en niet de frequentie ervan. | |
| Kwaliteit van leven | Geuite tevredenheid over de huidige levensomstandigheden. | |
| Kwantificeren | In maat of getal weergeven. | |
| Kwantitatief onderzoek | Onderzoek waarin de frequentie waarin zaken voorkomen beschouwd wordt door de waarden die variabelen aannemen te tellen; ook worden in kwantitatief onderzoek de verbanden tussen variabelen in maat en getal uitgedrukt. | |
| Kwartiel | De waarde van een variabele uit een geordende reeks waarnemingen waarboven of waaronder een kwart van de waarnemingen ligt. | |
| KWZ | Kwaliteitswet Zorg | |
| Leegloop | Beschikbare aanwezige werkkracht minus werklast. | |
| Leeractiviteiten | Activiteiten die iemand bewust onderneemt om iets te leren. | |
| Lethaliteit | Geeft het aantal mensen aan dat aan een bepaalde ziekte overlijdt, betrokken op het aantal mensen dat die ziekte heeft. | |
| LEVV | Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging | |
| Lijn-staf organisatie | Organisatiestructuur waarbij de lijn (leidinggevende en uitvoerende functies) ondersteund wordt door adviserende functionarissen (de staf). | |
| Lineaire afschrijvingsmethode | Methode waarbij de afschrijving van een gebruiksartikel berekend wordt volgens de formule: (aanschafwaarde - restwaarde)/levensduur van het artikel. | |
| Liquide middelen | Onmiddellijk beschikbaar geld. | |
| Liquiditeit | De mate waarin de vlottende activa meer waard zijn dan de schulden op korte termijn. | |
| Logistiek | Er voor zorgdragen dat de voor een bepaald doel of voor een bepaald proces benodigde materiële middelen en benodigde diensten zo efficiënt mogelijk op het juiste moment (tijdig) en op de juiste plaats beschikbaar zijn. | |
| Lotgenotencontact | Contact met lotgenoten om elkaar emotionele ondersteuning te bieden en gezondheidsinformatie uit te wisselen. | |
| Macroniveau | Het maatschappelijk of overheidsniveau. | |
| Maintain activiteiten | Activiteiten in het kader van personeelsplanning die er op gericht zijn om het huidige personeel ook in de toekomst beschikbaar te hebben. | |
| Managed care | Managed care is het raamwerk waarbinnen zorgvraag en zorgaanbod worden gestuurd op de elementen omvang, doelmatigheid, kwaliteit en prijs. De betekenis is vooral gelegen in de beheersing van het zorggebruik en de doelstelling betreft kostenbeheersing en doelmatigheidsbevordering. Zie ook: transmurale zorg. | |
| Mantelzorg | Steunverlening van familie, vrienden en de gemeenschap aan de patiënt. | |
| Marktwerking | Het (beoogd) effect dat door vrije concurrentie producten en diensten geleverd worden van een zo hoog mogelijke kwaliteit tegen een zo laag mogelijke prijs. | |
| Matrixstructuur | Organisatie waarbij zowel leiding wordt gegeven aan een primair proces als geheel als aan de afzonderlijke disciplines of afdelingen die aan dat primair proces een (deel)bijdrage leveren. | |
| MBCT | Mindfulness Based CognitiveTherapy | |
| MBSR | Mindfulness Based Stress Reduction | |
| Mediaan | Een beschrijvende statistische maat van centrale tendentie, de waarde van een variabele uit een geordende reeks waarnemingen waarboven en waaronder de helft van de waarnemingen ligt, de ‘middelste’ waarneming | |
| Medicatiefout | Elke fout in het proces van voorschrijven, afleveren of toedienen van geneesmiddelen ongeacht of hierbij schade is opgetreden. | |
| Medicatieveiligheid | Alle activiteiten die zijn gericht op het juist voorschrijven en afleveren en het juiste gebruik van geneesmiddelen. | |
| Meditatie | Het bewustzijnsniveau van de patiënt veranderen door hem te helpen zich te concentreren op een beeld of gedachte. | |
| MEE | Organisatie die diensten (begeleiding en ondersteuning) verleent aan gehandicapten. | |
| Mentor | Iemand die de niet-materiële belangen van een zorgvrager behartigt. | |
| Mesoniveau | Het niveau van de organisatie of het organisatieonderdeel. | |
| Methodische zorgverlening | Het systematisch en professioneel zorg verlenen, bestaande uit de volgende fases: afnemen anamnese, observatie, diagnose, vaststellen zorgplan, evaluatie | |
| Methodologisch onderzoek | Onderzoek dat erop gericht is om onderzoeksmethoden en meetinstrumenten te ontwikkelen en te verfijnen. | |
| Microniveau | Het niveau van de professionele of uitvoerende medewerker. | |
| Middelenmisbruik | Een levensstijl van overmatig alcohol- of drugsgebruik. | |
| Minimale datasets | Gegevens(verzamelingen) die op een zodanige wijze zijn gecodeerd en gestandaardiseerd dat met zo weinig mogelijke informatie in zoveel mogelijk informatiebehoeften van allerlei organisaties en instanties kan worden voorzien. | |
| Modus | Een statistische maat van centrale tendentie die de waarde weergeeft die het meest voorkomt bij een reeks van waarnemingen. | |
| MOF | multipel orgaan falen | |
| Monodisciplinaire coördinatie | Het op elkaar afstemmen van de zorg of behandelingen verricht door één bepaalde discipline. | |
| Mortaliteit | Geeft het aantal sterfgevallen over een bepaalde periode aan, betrokken op de risicopopulatie. | |
| MS | Multiple Sclerose | |
| Mucositis, orale | Ontstekingsreactie van de mondslijmvliezen; verandering van het mondslijmvlies. | |
| Multidisciplinaire coördinatie | Het op elkaar afstemmen van de zorg of behandelingen verricht door verschillende betrokken disciplines. | |
| Multimomentopname | Methode om de werklast te bepalen door op willekeurige momenten te meten waaraan hoeveel tijd besteed wordt. | |
| Multivariate analyse | Analyse waarbij meer dan twee variabelen tegelijkertijd met elkaar in verband gebracht worden. | |
| NANDA | North American Nursing Diagnosis Assosociation. | |
| NCCZ | Nationale Commissie Chronisch Zieken | |
| Nederlandse Zorgautoriteit | NZA: instantie belast met het vaststellen van tarieven voor de gezondheidszorg en het bewaken van een eerlijke marktwerking in de gezondheidszorg. | |
| nettotijd (bedieningstijd) | Tijd die door medewerkers of afdelingen daadwerkelijk aan zorg of behandeling wordt besteed. | |
| Netwerklogistiek | Logistiek die er op gericht is om zowel de ketenlogistiek als de unitlogistiek zo optimaal mogelijk te laten zijn. | |
| NIC | Nursing Interventions Classification | |
| NIVEL | Nederlands Instituut voor Onderzoek van de Gezondheidszorg | |
| NIZW | Nederlands Instituut voor Zorg en Welzijn | |
| NOC | Nursing Outcomes Classification | |
| Nomenclatuur | Systeem van naamgeving | |
| Nominaal | Meetniveau waarbij de verschillende waarden van een variabele niet geordend of gerangschikt kunnen worden, maar naast elkaar bestaan. | |
| Non-profit organisaties | Organisaties die proberen de uitgaven (kosten) lager te laten zijn dan de inkomsten (baten), maar waar dat geen hoofddoelstelling is en waar een eventuele winst niet wordt uitgekeerd aan de eigenaren. | |
| Norm | Uitspraak over een overeengekomen te bereiken doel van de zorgverlening aan de hand waarvan toetsing plaats kan vinden. Een norm is mono- of multidisciplinair, doet een uitspraak over het doel van de zorgverlening en beschrijft een niveau wat men zo goed mogelijk moet benaderen; is gebaseerd op consensus tussen belanghebbenden, doet een uitspraak over de gewenste uitkomsten van zorg en biedt daarmee een middel tot toetsing. | |
| NP/CF | Vereniging Nederlandse Patiënten/Consumenten Federatie | |
| NRV | Nationale Raad voor de Volksgezondheid | |
| Nuldelijns gezondheidszorg | Zie: basisechelon | |
| NVZ | Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen | |
| NZA | Nederlandse ZorgAutoriteit: instantie belast met het vaststellen van tarieven voor de gezondheidszorg en het bewaken van een eerlijke marktwerking in de gezondheidszorg. | |
| NZf | Nederlandse Zorgfederatie | |
| Observationeel onderzoek | Onderzoek waarbij de onderzoeker niet in de werkelijkheid ingrijpt doch deze slechts beschouwt, in tegenstelling tot experimenteel onderzoek. | |
| Onderdrukking | De neiging onderdrukken om direct een oordeel of een verklaring te hebben, het eigen oordeel ‘tussen haakjes plaatsen’ en de eigen vooroordelen onderkennen. | |
| Ondersteuning (bij boosheid) | De patiënt helpen zijn woede op een adaptieve, niet-gewelddadige manier te uiten. | |
| Ondervoeding | De toestand van een individu waarin de inname van voedingsstoffen onvoldoende is om in de metabole behoefte te voorzien of de kans op deze toestand. | |
| Ontvankelijkheid | Het toelaten van de vreemde andere, het vreemde andere, en het nemen van verantwoordelijkheid voor wat zich aandient; de ander anders kunnen laten zijn en daarmee rekening houden in het handelen. | |
| Open populatie | Groep waar verschillende mensen over verschillende tijdsperioden toe kunnen behoren, b.v. inwoners van een stad. | |
| Operational research | Gebied van de toegepaste wiskunde waarin getracht wordt om door middel van wiskundige modellen uit te rekenen wat de gevolgen van bepaalde (management)beslissingen zullen zijn. | |
| Operationaliseren | Het meetbaar maken van concepten, het vertalen van concepten in variabelen. | |
| Opleidingsvariant | Variant van een bepaalde opleiding waar de student voor kan kiezen, zoals b.v.: voltijdopleiding, deeltijdopleiding of duale variant. | |
| Opslagmethode | Zie: Deelcalculatiemethode | |
| OPT-model | Outcome-Present State-Test model | |
| Orale mucositis | Ontstekingsreactie van de mondslijmvliezen; verandering van het mondslijmvlies. | |
| Ordinaal | Meetniveau waarbij de verschillende waarden van een variabele wel geordend of gerangschikt kunnen worden, maar waarbij de onderlinge afstand tussen de waarden verschillend is. | |
| Overloop incontinentie | Ongewild urineverlies dat optreedt als gevolg van een overrekking van de blaasspier. | |
| Panelstudie | Onderzoeksdesign waarin een groep mensen in de tijd vervolgd wordt, ook wel prospectief onderzoek of (in de epidemiologie) cohort studie genoemd. | |
| Paniek | Extreem verhoogd activeringsniveau en ongerichte aandacht, gekoppeld aan een verwachte (niet-specifieke) bedreiging voor de patiënt zelf of significante relaties. | |
| Patiëntclassificatiemethode | Het indelen van patiënten in een bepaalde categorie van zorgzwaarte. | |
| Patiëntcontrole onderzoek | Bij deze vorm van onderzoekj wordt niet van groepen met of zonder bepaalde exposities uitgegaan, maar worden mensen die de ziekte al hebben vergeleken met mensen die de ziekte niet hebben. | |
| Patiëntveiligheid | Het (nagenoeg) ontbreken van (de kans op) aan de patiënt toegebrachte schade (lichamelijk/psychisch) die is ontstaan door het niet volgens de professionele standaard handelen van hulpverleners en/of door tekortkoming van het zorgsysteem. | |
| PDSA | Plan-Do-Study-Act (verbetercyclus, ook genoemd Deming circle): Met betrekking tot kwaliteit wordt deze als volgt beschreven: Plan: Bepalen van de gewenste kwaliteit van zorg die de organisatie levert Do: Uitvoeren wat er is bepaald/vastgelegd Check: Bewaken en controleren of daarmee de kwaliteit is behaald Act: Verbeteren van de kwaliteit | |
| Peer assessment | Beoordeling door medestudenten | |
| Percentiel | De waarde van een variabele uit een geordende reeks waarnemingen waarboven of waaronder een bepaald percentage van de waarnemingen ligt. | |
| Perceptie | Beleving, oordeel over wat er aan de hand is | |
| Persoonlijk OntwikkelingsPlan | POP: een al dan niet digitaal document waarin de student zijn of haar ontwikkelingsplannen bijhoudt en bijstelt o.b.v. reflectie, toetsing, feedback e.d. | |
| Persoonlijke leerweg | Het geheel van leeractiviteiten die de student kiest om zich de competenties eigen te maken die hij of zij zelf van belang vindt voor zijn persoonlijke (beroeps)ontwikkeling. | |
| PersoonsGebonden Budget | PGB: aan zorgvragers toegekend bedrag of budget waarmee zij zelf de door hun te kiezen zorgverleners en zorg kunnen betalen. | |
| PERT | Program Evaluation and Review Technique, voorbeeld van een klinisch pad (zie aldaar). | |
| PES | Probleem-Etiologie-Symptomen | |
| PES-formule | Een door Gordon ontwikkelde vaste structuur om een verpleegkundige diagnose te beschrijven. | |
| PGB | Persoonsgebonden budget: aan zorgvragers toegekend bedrag of budget waarmee zij zelf de door hun te kiezen zorgverleners en zorg kunnen betalen. | |
| PICO-methode | Een hulpmiddel bij het formuleren van een vraag op een zodanige wijze dat het zoeken naar literatuur goed wordt ondersteund, waarbij PICO staat voor: P: patient I: intervention C: comparison O: outcome | |
| Pijn | Onplezierige, sensorische en emotionele ervaring gerelateerd aan een feitelijke of mogelijke weefselbeschadiging, of beschreven in termen van weefselbeschadiging. | |
| Placebo-effect | Het je beter voelen op grond van een niet werkzaam middel of een niet werkzame therapie. | |
| POP | Persoonlijk OntwikkelingsPlan: een al dan niet digitaal document waarin de student zijn of haar ontwikkelingsplannen bijhoudt en bijstelt o.b.v. reflectie, toetsing, feedback e.d. | |
| Populatie | Letterlijk bevolking; hiermee wordt de bevolking bedoeld waarop onderzoeksgegevens betrekking hebben; meestal wordt uit deze populatie een steekproef getrokken waarbij het onderzoek daadwerkelijk uitgevoerd wordt: de onderzoeks- of studiepopulatie. | |
| Portfolio | Een map of dossier van documenten waarmee je zichtbaar maakt waar je staat in de ontwikkeling van je persoonlijke competenties en je beroepscompetenties. | |
| Portfolio assessment | Hierin word je als student uitgenodigd je competentieontwikkeling te bewijzen door het presenteren van het eigen portfolio. | |
| Posttraumatische reactie | Langdurige pijnlijke reactie op een ingrijpende (onverwachte en buitengewone) traumatische gebeurtenis. | |
| Pragmatisch aspect | Het effect (kennisvermeerdering, gevoelens en/of gedragingen) van informatie. | |
| Praktische wijsheid | Wijsheid opgedaan door traditie en door vallen en opstaan. | |
| Predictieve waarde | De kans dat iemand met een positieve testuitslag de ziekte inderdaad heeft. | |
| Prestatie-indicator | Informatie met behulp waarvan kan worden vastgesteld of een bepaalde prestatie of effect is of wordt bereikt. | |
| Prevalentie | Geeft het aantal mensen aan dat op een bepaald moment een gezondheidsprobleem heeft, betrokken op de risicopopulatie. | |
| Preventieve gezondheidszorg | Gezondheidszorg die gericht is op het voorkómen van ziekten, gebreken of handicaps. | |
| Preventieve maatregel | Maatregel genomen om de oorzaak van een mogelijke toekomstige afwijking of andere mogelijke ongewenste situatie weg te nemen.Preventieve maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat zich iets voordoet, terwijl corrigerende maatregelen genomen worden om herhaling te voorkomen. | |
| Prijsverschillen | De afwijkingen van een vastgesteld budget die een gevolg zijn van hogere of lagere prijzen dan oorspronkelijk begroot. | |
| Primaire proces | Het basisproces (productieproces of dienstverleningsproces) waarmee de doelstellingen van een organisatie gerealiseerd worden. | |
| Probleemvermijding | Aanhoudende bagatellisering of ontkenning van informatie (feiten, betekenissen, gevolgen) wanneer de situatie een actieve aanpak van het probleem verlangt. | |
| Procedure | Beschrijving van verantwoordelijkheden en bevoegdheden van diverse actoren. Een procedure geldt binnen een of meer beroepsgroepen, kan zowel mono- als multidisciplinair zijn, beschrijft verantwoordelijkheden en bevoegdheden met betrekking tot een bepaalde werkwijze en is organisatiebreed. | |
| Proces | Geheel van samenhangende of elkaar beïnvloedende activiteiten dat input omzet in output. | |
| Proces, verpleegkundige | Het proces van verplegen, dat wil zeggen datgene wat tussen en met betrekking tot de patiënt, zijn mantelzorger(s) en de verpleegkundige ontstaat en zich afspeelt van het eerste tot en met het laatste contact. | |
| Procesindicatoren | Procesindicatoren worden ingezet bij kwaliteitsmeting en geven informatie over de daadwerkelijke zorgverlening zoals het functioneren van zorgverleners en het aantal keer dat een bepaalde preventieve interventie is ingezet. | |
| Productorganisatie | Een organisatie waar materiële producten worden gemaakt. | |
| Professionele standaard | De beste manier van handelen in een specifieke situatie met inachtneming van recente inzichten en evidence (bewijs), zoals neergelegd in richtlijnen en protocollen van de beroepsgroep, dan wel het handelen zoals van een redelijk ervaren en bekwame beroepsgenoot in gelijke omstandigheden mag worden verwacht. | |
| Profitorganisaties | Organisaties die naar winst streven (ook als doelstelling) en waarbij die winst ten goede komt aan de eigenaren van de organisatie. | |
| Prognostische epidemiologie | Onderzoek gericht op de effectiviteit van verschillende behandelwijzen, waarbij men wil nagaan wat de prognoses zijn van een gezondheidsprobleem indien bepaalde interventies uitgevoerd worden (zie ook: klinische epidemiologie). | |
| Progressief variabele kosten | Kosten die meer dan evenredig toe- of afnemen naarmate de productie of dienstverlening toeneemt of afneemt. | |
| Progressieve spierontspanning | De patiënt helpen achtereenvolgens verschillende spiergroepen aan te spannen en te ontspannen en zich bewust te worden van het gevoel dat dit teweegbrengt. | |
| Proportioneel variabele kosten | Kosten die evenredig toe- of afnemen naarmate de productie of dienstverlening toeneemt of afneemt. | |
| Proportionele sterfte | Geeft aan hoeveel mensen aan een bepaalde ziekte overlijden, betrokken op alle mensen die in deze periode overlijden. | |
| Propositie | Uitspraak in een theorie over de samenhang van concepten | |
| Prospectief | Vooruitziend, op de toekomst gericht | |
| Prospectief onderzoek | Onderzoek waarbij met de tijd mee gekeken wordt, d.w.z. van vermoedelijke oorzaak naar gevolg. | |
| Protocol | Een document dat tot doel heeft de verpleegkundigen of verzorgenden te ondersteunen bij het uitvoeren van zorginhoudelijke handelingen, met andere woorden: het geeft aan hoe een handeling uitgevoerd kan worden. Een protocol is mono- of multidisciplinair, is een werkinstructie c.q. voorschrift; het geeft aan hoe iets gedaan moet worden en beschrijft een uniforme benadering waarbij de volgorde van handelingen is vastgelegd. | |
| Protoprofessionalisering | Protoprofessionalisering wil zeggen dat de huidige patiënt mondiger is geworden, wat betekent dat hij, naast eigen ervaring, beleving van en wensen ten aanzien van zijn ziekte, met meer achtergrondkennis over zijn gezondheidsprobleem de spreekkamer van de arts of verpleegkundige binnenstapt. | |
| Pull activiteiten | Activiteiten in het kader van personeelsplanning die er op gericht zijn om een tekort aan benodigd personeel in de toekomst te voorkomen. | |
| Push activiteiten | Activiteiten in het kader van personeelsplanning die er op gericht zijn om een overschot aan benodigd personeel in de toekomst te voorkomen. | |
| P-waarde | De kans dat een gevonden verschil of verband door het toeval ontstaan is; een veel gebruikte drempelwaarde (alfa) is 0,05 of 5%. | |
| Quasi-experiment | Experimenteel onderzoek waarbij of geen controlegroep is of waarbij de toewijzing aan experimentele en controlegroep niet aselect heeft plaatsgevonden. | |
| Quetelet-index | Antropometrische maat waarin lichaamsgewicht in verband wordt gebracht met lichaamslengte (ook wel BMI genoemd). | |
| Randomisatie | Het aselect toewijzen van onderzoekspersonen aan experimentele of controlegroep. | |
| Randomized controlled trial | Zie: experiment | |
| Range | Benoeming van het kleinste en het grootste getal van een getallenverzameling. | |
| Ratio | Meetniveau waarbij de verschillende waarden van een variabele niet alleen dezelfde vaste afstand hebben, maar waar bovendien sprake is van een vast nulpunt. | |
| RCT | Randomized controlled trial, zie experiment. | |
| Redeneren, klinisch | Het cognitieve proces dat verpleegkundigen gebruiken wanneer ze de gegevens over de patiënt beoordelen en analyseren met als doel zorg te plannen en zorg uit te voeren om positieve patiëntenresultaten te bereiken. | |
| Reflectie | Overdenken van en/of terugkijken op het eigen handelen om de effectiviteit ervan te verbeteren, ofwel: bespiegelend nadenken over. | |
| Reflectieve praktijkvoering | Manier om inzicht te krijgen in ervaringskennis die beroepsbeoefenaren in staat stelt om het persoonlijk handelen effectief te maken in hun werk. | |
| Relatief risico | Hiervan spreekt men wanneer de incidenties of risico’s van groepen die al dan niet onder bepaalde omstandigheden verkeren door elkaar gedeeld worden. | |
| Relaxatie | Ontspanning (zie ook: progressieve spierontspanning) | |
| Reminiscentie | De patiënt stimuleren terug te denken aan gebeurtenissen, gevoelens en gedachten uit het verleden om hem te helpen zich aan te passen aan zijn huidige omstandigheden. | |
| Rentabiliteit | De verhouding tussen de baten (opbrengsten) en kosten van een organisatie. | |
| Representativiteit | In relatie tot onderzoek: De mate waarin een steekproef een afspiegeling is van de populatie waaruit deze steekproef getrokken is. | |
| Responsief (van effectmaat) | Hiermee wordt bedoeld dat een maat gebruikt wordt die over het traject waar verandering te verwachten is ook verandering aangeeft. | |
| Resultaat, beoogd | Een weergave van de nagestreefde effecten van verpleegkundige tussenkomst, gebaseerd op de gestelde diagnose, prognose en de voorgenomen interventies. | |
| Resultaten, verpleegkundige | (Als fase in het besluitvormingsproces:) de resultaten die worden bereikt door de uitvoering van de interventies. Hierbij kan een onderscheid worden gemaakt in de beoogde resultaten (de doelen) en de behaalde resultaten | |
| Resultatenrekening | Een overzicht van inkomsten (baten) en uitgaven (kosten) in een bepaalde periode van een organisatie of instelling. | |
| Retrospectief onderzoek | Onderzoek waarbij tegen de tijdsvolgorde in gewerkt wordt, men beschouwt vanuit een gevolg de mogelijke oorzaken die daaraan vooraf gegaan zijn. | |
| RIAGG | Regionaal Instituut voor Ambulante Geestelijke Gezondheidszorg. | |
| RIBW | Regionale Instelling voor Beschermende Woonvormen: semimurale voorziening voor (ex-)psychiatrische patiënten. | |
| Richtlijn, verpleegkundige | 1 Richtlijnen zijn systematisch ontwikkelde aanbevelingen bedoeld om hulpverleners en patiënten te helpen bij het nemen van beslissingen over de gewenste zorg bij concrete gezondheidsproblemen. 2 Een document dat tot doel heeft de besluitvorming van verpleegkundigen of verzorgenden te ondersteunen en aan te geven wat het beste gedaan kan worden gedurende een bepaald zorgproces bij een omschreven groep patiënten. Een richtlijn is mono- of multidisciplinair, omvat systematisch ontwikkelde uitspraken waarin wetenschappelijke inzichten en klinische ervaring tot uitdrukking komt, geeft richting aan het zorgproces; het geeft aan wat er gedaan kan worden, ondersteunt de besluitvorming van zorgverleners en het verdient aanbeveling de richtlijn te volgen, echter indien de situatie dit toelaat mag van de richtlijn worden afgeweken. | |
| Richtlijnen, evidence based | Evidence based richtlijnen zijn wetenschappelijk onderbouwde, landelijk geldende, vakinhoudelijke aanbevelingen voor optimale zorg voor de patiënt. Ze zijn bedoeld om artsen en andere zorgverleners te ondersteunen bij de klinische besluitvorming. Ze bevatten ook patiëntenvoorkeuren, kostencomponenten en aspecten van implementatie. | |
| Rijpercentages | De percentages in een tabel berekend over een (horizontale) rij | |
| Risico | Een functie van de mogelijkheid op een ongewenst effect en de grootte van dat effect, voortvloeiend uit geva(a)r(en). | |
| RIVM | RijksInstituut voor Volksgezondheid en Milieuhygiëne | |
| Rolvervulling | Mate waarin het rolgedrag overeenstemt met de rolverwachtingen. | |
| Rouwverwerking | Aanpassing aan een feitelijk of dreigend verlies. | |
| RUMBA | Relevant-Understandable-Measurable-Behavioral-Attainable: formulering in termen van relevantie, begrijpelijkheid, meetbaarheid, gedrag en bereikbaar. | |
| RVZ | Raad voor de Volksgezondheid en Zorg | |
| SBU | Studiebelastingsuur: Het aantal uren dat een student gemiddeld nodig heeft om de vereiste competentieontwikkeling van een bepaalde leereenheid te kunnen behalen. | |
| Scenario | Het geheel van uitgangspunten en veronderstellingen betreffende een toekomstige situatie. | |
| Schade | Een nadeel voor de patiënt dat door zijn ernst leidt tot verlenging of verzwaring van de behandeling, tijdelijk of blijvend lichamelijk, psychisch en/of sociaal functieverlies, of tot overlijden. | |
| Seksualiteit | Handelingen en gevoelens die te maken hebben met lichamelijke opwinding en vrijen. | |
| Seksuele gezondheid | Integratie van fysieke, emotionele, intellectuele en sociale aspecten van de (seksuele) menselijkheid op een manier die positief is en verrijkend en bijdraagt aan het versterken van de persoonlijkheid, communicatie en liefde. | |
| Seksuele problematiek | Het ongenoegen dat zich ontwikkelt wanneer iemand teveel discrepantie ervaart tussen wat hij of zij wil ervaren (binnen een seksuele relatie) en wat hij of zij werkelijk ervaart. | |
| Selectie | Hiervan spreekt men wanneer vertekening (bias) veroorzaakt wordt doordat groepen die vergeleken worden, bijvoorbeeld wel- en niet-geëxponeerden, ook nog in andere opzichten dan de expositie verschillen. | |
| Self-assessment | Zelfbeoordeling | |
| Semantisch aspect | De betekenis van bepaalde informatie. | |
| Semimurale gezondheidszorg | Zorg voor zorgvragers die niet volledig in een zorginstelling zijn opgenomen, maar wel beschermende huisvesting, opvang of begeleiding krijgen. | |
| Sensitiviteit (van een test) | Het vermogen om zieken als zodanig te herkennen | |
| Signalerende grootheid | Zie: Prestatie-indicator | |
| Significant | Waarschijnlijk niet door het toeval veroorzaakt; de kans dat een verschil of verband toch door het toeval veroorzaakt wordt, wordt met de p-waarde aangegeven. | |
| Slaappatroon, verstoord | Verandering in de duur of kwaliteit van de nachtrust die ongemak veroorzaakt of een belemmering vormt voor de gewenste manier van leven. | |
| Slikstoornis | Het abnormaal functioneren van het slikmechanisme, gepaard gaand met afwijkingen in structuur of functioneren van mond, farynx of oesophagus | |
| SMART (formulering) | Specifiek-Meetbaar-Acceptabel-Realistisch-Tijdgebonden | |
| Sociale media | Sociale media is een verzamelnaam voor alle internettoepassingen waarmee mensen onderling contact leggen. Bekende sociale netwerken zijn Hyves, Facebook, Linkedin, Twitter en YouTube. Gemeenschappelijke deler is dat je er informatie, meningen en ideeën kunt uitwisselen. | |
| Sociale vaardigheden | Mate waarin iemand effectieve interactiegedragingen vertoont. | |
| Sociotechnische analyse | Methode om te bepalen welke informatie groepen of personen ten behoeve van hun onderlinge communicatie nodig hebben. | |
| Solvabiliteit | De mate waarin de bezittingen van een organisatie meer waard zijn dan de totale schulden (ofwel: het eigen vermogen positief is). | |
| Specificiteit (van een test) | Het vermogen om gezonden als zodanig te herkennen. | |
| Spierontspanning, progressieve | De patiënt helpen achtereenvolgens verschillende spiergroepen aan te spannen en te ontspannen en zich bewust te worden van het gevoel dat dit teweegbrengt. | |
| Spiritualiteit | Het levensbeschouwelijke dan wel het religieuze functioneren waartoe ook aspecten van zingeving en zinervaring behoren. | |
| Standaard, verpleegkundige | Uitspraak over een gewenst uitvoeringsniveau binnen één discipline; beschrijft het door de professie overeengekomen uitvoeringsniveau (verkregen via consensus), beschrijft een uitvoeringsniveau dat behaald moet worden, doet een uitspraak over de gewenste uitkomsten van zorg en biedt daarmee een middel tot toetsing, maar beschrijft niet hoe het uitvoeringsniveau behaald moet worden. | |
| Standaardafwijking | Een statistische maat van spreiding die als de gemiddelde afwijking van het gemiddelde aangegeven kan worden. | |
| Standaardiseren (van maten) | Rekenmethode die de incidenties over b.v. eenzelfde leeftijdsopbouw berekent (zijn er dan nog verschillen, dan kunnen die niet door verschillen in leeftijd tussen de populaties verklaard worden). | |
| STAR | Veel gebruikt hulpmiddel om verpleegsituaties te analyseren, waarbij STAR staat voor: Situatie-Taak-Acties-Resultaat | |
| STG | Stichting Toekomstscenario’s Gezondheidszorg | |
| Stoma | Onnatuurlijke, al of niet kunstmatige opening die een lichaamsholte met de buitenwereld verbindt en die het gevolg is van een ziekte of operatie. | |
| Stratificeren | In ‘lagen’ of strata met gelijke kenmerken onderverdelen, bijvoorbeeld gestratificeerd naar leeftijd; stratificatie kan zowel voor de steekproeftrekking als bij de analyse plaatsvinden. | |
| Stratum | Laag; subgroep van een populatie met een of meer gelijke kenmerken. | |
| Stress-incontinentie | Onwillekeurig urineverlies tijdens momenten van intra-abdominale drukverhoging (een verhoogde druk in buikholte en/of blaas), zoals tijdens inspanning of hoesten, zonder dat er sprake is van samentrekking van de blaasspier. | |
| Structuurindicatoren | Structuurindicatoren worden ingezet bij kwaliteitsmeting en hebben betrekking op menselijke, fysieke en financiële middelen om goede zorg te verlenen, zoals het aantal ingezette fte’ste (full time equivalent). | |
| Studiebelastingsuren | Het aantal uren dat een student gemiddeld nodig heeft om de vereiste competentieontwikkeling van een bepaalde leereenheid te kunnen behalen. | |
| Suïcidale ideatie | Het aanhoudend denken aan of overwegen van suïcide. | |
| Suïcidaliteit | Geneigdheid zich in gedachten en/of woorden en/of daden bezig te houden met de eigen levensbeëindiging. | |
| Suïcide | Gedrag met dodelijke afloop t.g.v. door de betrokken persoon zelf geïnitieerde en uitgevoerde handeling(en). | |
| Suïcidepoging | Gedrag zonder dodelijke afloop waarbij iemand zichzelf verwondt of een zodanige hoeveelheid van een bepaalde stof inneemt dat de norm voor wat algemeen als therapeutisch wordt beschouwd wordt overschreden. | |
| Syntactisch aspect | De vormgeving van bepaalde informatie. | |
| Taakstellende begroting | Ook: budget. De voor een komende periode toegestane of vastgestelde inzet of verbruik van personele en/of materiële middelen (of gewenste opbrengsten), veelal in geld uitgedrukt. | |
| Taakvolwassenheid | De mate waarin een medewerker zowel bekwaam als gemotiveerd is. | |
| Taakzorgsysteem | Zorgsysteem waarbij de uitvoerende handelingen door de zorgverleners bij zoveel mogelijk zorgvragers op dezelfde wijze worden verricht en door hun leidinggevende worden gecoördineerd. | |
| Taal, verpleegkundige | eenduidige verpleegkundige terminologie | |
| Tacit knowledge | Onbewuste kennis; intuïtie | |
| Tarief | Bedrag dat door de zorgvrager of door een zorgverzekeraar aan een zorgverlener of zorginstelling betaald moet worden voor de huisvesting, behandeling, verpleging en/of verzorging van een zorgvrager. | |
| Teamzorgsysteem | Zorgsysteem waarbij een vast team zowel de uitvoerende zorg als de coördinatie daarvan verricht voor een vaste, beperkte groep zorgvragers onder leiding of begeleiding van een teamleider. | |
| Terminologie | Verzameling van alle termen gebruikt in een bepaald kennisgebied | |
| Theorie | Een samenstel van een aantal concepten met de beschrijving van hun onderlinge samenhang | |
| Therapeutisch groepswerk | Psychotherapeutische technieken toepassen in een groep, onder andere door gebruik te maken van de interacties tussen de groepsleden. | |
| Therapieontrouw | Iemands weloverwogen keuze om een bepaalde therapeutische aanbeveling niet op te volgen. | |
| Therapietrouw | De mate waarin iemands gedrag (in termen van medicatie-inname, dieet volgen of veranderingen in leefregels uitvoeren) overeenkomt met medisch of gezondheidsadvies. | |
| Toegangstijd | De wachttijd die een zorgvrager heeft alvorens toegelaten of opgenomen te worden in een bepaalde zorginstelling. | |
| Toetsing | Het meten van de mate waarin iemand over bepaalde kennis, vaardigheden en attitude (competenties) beschikt. | |
| Toewijding | Het tonen van betrokkenheid van binnenuit, de ‘intense, trouwe, dienstige en verantwoordelijkheid aanvaardende inzet voor de ander en wat deze als een (wenselijk) goed ervaart’. | |
| Totaalpercentage | De percentages in een tabel, berekend over alle cellen (= hokjes) in die tabel | |
| Transmurale coördinatie | Het op elkaar afstemmen van de zorg of behandelingen verricht door verschillende betrokken zorginstellingen of –instanties. | |
| Transmurale organisatiestructuur | Organisatiestructuur waarbij de coördinatie van de zorg ook tussen zorginstellingen onderling is geregeld. | |
| Transversaal (of dwarsdoorsnede)onderzoek | Onderzoek waarbij men op dezelfde tijd zowel de ziekte als de te onderzoeken factoren bij een bepaalde populatie in kaart brengt. | |
| Tweede echelon | De specialistische curatieve gezondheidszorg | |
| Tweedelijns gezondheidszorg | Zie: Tweede echelon | |
| Uitkomstindicatoren | Uitkomstindicatoren worden ingezet bij kwaliteitsmeting en kunnen inzicht geven in het effect van de zorg, zoals b.v. mortaliteits- en morbiditeitscijfers. | |
| Uitsluitcriteria | Zie: exclusiecriteria | |
| Unitlogistiek | Logistiek die er op gericht is om afdelingen of disciplines die een bijdrage leveren aan een productie- of dienstverleningsproces zo effectief en efficiënt mogelijk te laten function. | |
| Univariate analyse | Analyse waarbij slechts één variabele betrokken is, frequentieverdeling. | |
| Urgency incontinentie | Onwillekeurig urineverlies samengaand met of direct voorafgegaan door een plotse, onhoudbare mictiedrang. | |
| V&VN | V&VN (voorheen: AVVV) is een landelijke vereniging van verpleegkundigen en verzorgenden, die zich inzet voor individuele en collectieve belangenbehartiging van beroepsbeoefenaren in de verpleging en verzorging. | |
| Vakbekwaamheid | Hierbij gaat het om hoe de verpleegkundige haar vak uitoefent. Er spelen, naast cognitieve, vooral ook affectieve aspecten een rol, bijvoorbeeld gevoeligheid en empathie | |
| VAKK | Besluitvormingsmodel in de verpleegkunde, bestaande uit: -Verzamelen van informatie -Analyse -Kwaliteitscontrole -Keuze | |
| Valideren | Het aantonen van de validiteit van een variabele | |
| Validiteit | De mate waarin een variabele het bedoelde concept meet, geldigheid. | |
| Vallen | Een onbedoelde verandering van de lichaamspositie, die resulteert in het neerkomen op de grond of een ander lager niveau. | |
| Vallen, gevaar voor | Een onbedoelde verandering van de lichaamspositie, die resulteert in het neerkomen op de grond of een ander lager niveau | |
| Variabele | Een geoperationaliseerd, meetbaar gemaakt, concept | |
| Variabele kosten | Kosten die toe- of afnemen naarmate de productie of dienstverlening toeneemt of afneemt | |
| VAS | Visual Analogue Scale (beoordelingsschaal, van b.v. pijn) | |
| Vaste activa | Bezittingen die niet op korte termijn in geld omzetbaar zijn | |
| Vaste kosten | Kosten die in een bepaalde mate onafhankelijk zijn van de omvang van de productie of dienstverlening | |
| Vastgelegd | Het betreffende is bepaald en gedocumenteerd. Medewerkers zijn op de hoogte van waar ze het betreffende kunnen vinden. | |
| Vastgesteld | Het betreffende is bepaald, afgesproken en als zodanig bekend bij relevante medewerkers | |
| VBOC | Verpleegkundige Beroepsstructuur en OpleidingsContinuüm | |
| Verbetercyclus | De “Deming Circle”, ook wel Plan-Do-Check-Act (PDCA) genoemd. Met betrekking tot kwaliteit wordt deze als volgt beschreven: Plan: Bepalen van de gewenste kwaliteit van zorg die de organisatie levert Do: Uitvoeren wat er is bepaald/vastgelegd Check: Bewaken en controleren of daarmee de kwaliteit is behaald Act: Verbeteren van de kwaliteit | |
| Verdeelsleutel | Criterium op basis waarvan bepaalde kosten worden doorberekend | |
| Verdriet | Natuurlijke menselijke reactie van onder andere psychosociale en fysiologische aard op b.v. een feitelijk of vermeend verlies (persoon, object, lichaamsfunctie, status, relatie). | |
| Verifiëren | Bevestigen of ondersteunen; onderzoeksresultaten zijn zoals op theoretische gronden verwacht werd | |
| Verklarende epidemiologie | Probeert de frequentie van gezondheidsproblemen in verband te brengen met mogelijke oorzaken (etiologische epidemiologie), mogelijke behandelingen (prognostische epidemiologie) en diagnostiek (diagnostische epidemiologie). | |
| Verklarende statistiek | Deze vorm van statistiek probeert inzicht te geven in de aard van gevonden waarden. | |
| Vermijdbaar | Een incident, complicatie of adverse event is in retrospect vermijdbaar als na systematische analyse van de gebeurtenis(sen) blijkt dat bepaalde maatregelen het incident, de complicatie of de adverse event hadden kunnen voorkomen. | |
| Verpleegkundig proces | Het proces van verplegen, dat wil zeggen datgene wat tussen en met betrekking tot de patiënt, zijn mantelzorger(s) en de verpleegkundige ontstaat en zich afspeelt van het eerste tot en met het laatste contact. | |
| Verpleegkundige | Beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg: is verantwoordelijk voor de zelfstandige uitvoering van het verpleegkundige proces. Verpleegkundigen organiseren en coördineren de zorg rondom de individuele zorgvrager. Zij beschouwen het directe contact met de zorgvrager als het belangrijkste element in hun werk. Dit directe contact vormt het kader voor de verpleegkundige interventies en de basis voor het zorgarrangement. | |
| Verpleegkundige anamnese | Een anamnese is het vraaggesprek met de patiënt en/of zijn verwanten met het doel gegevens te verzamelen over het functioneren, disfunctioneren en de behoeften van de patiënt. | |
| Verpleegkundige diagnose | 1 Een vaststelling van iemands feitelijke of mogelijke reacties op gezondheidsproblemen of levensprocessen, op grond waarvan verpleegkundige zorg kan worden verleend. 2 Een verpleegkundige diagnose is een klinische uitspraak over de reacties van een persoon, gezin of groep op feitelijke of dreigende gezondheidsproblemen en/of levensprocessen. De verpleegkundige diagnose is de grondslag voor de keuze van verpleegkundige interventies, voor de resultaten waarvan de verpleegkundige aansprakelijk is (NANDA). | |
| Verpleegkundige interventie | Eén of meer verrichtingen, al dan niet in samenhang met één of meer andere patiënt/cliënt gebonden handelingen, die allemaal een gemeenschappelijk doel hebben en op basis van verpleegkundige besluitvorming gekozen zijn | |
| Verpleegkundige richtlijn(en) | 1 Richtlijnen zijn systematisch ontwikkelde aanbevelingen bedoeld om hulpverleners en patiënten te helpen bij het nemen van beslissingen over de gewenste zorg bij concrete gezondheidsproblemen. 2 Een document dat tot doel heeft de besluitvorming van verpleegkundigen of verzorgenden te ondersteunen en aan te geven wat het beste gedaan kan worden gedurende een bepaald zorgproces bij een omschreven groep patiënten. Een richtlijn is mono- of multidisciplinair, omvat systematisch ontwikkelde uitspraken waarin wetenschappelijke inzichten en klinische ervaring tot uitdrukking komt, geeft richting aan het zorgproces; het geeft aan wat er gedaan kan worden, ondersteunt de besluitvorming van zorgverleners en het verdient aanbeveling de richtlijn te volgen, echter indien de situatie dit toelaat mag van de richtlijn worden afgeweken. | |
| Verpleegkundige standaard | Uitspraak over een gewenst uitvoeringsniveau binnen één discipline; beschrijft het door de professie overeengekomen uitvoeringsniveau (verkregen via consensus), beschrijft een uitvoeringsniveau dat behaald moet worden, doet een uitspraak over de gewenste uitkomsten van zorg en biedt daarmee een middel tot toetsing, maar beschrijft niet hoe het uitvoeringsniveau behaald moet worden. | |
| Verpleegkundige taal | eenduidige verpleegkundige terminologie | |
| Verpleegplan | Een document waarin beschreven staat: -de bij de patiënt vastgestelde verpleegkundige diagnoses -de verpleegkundige interventies die voortvloeien uit de verpleegkundige diagnoses -de beoogde resultaten die patiënt of diens vertegenwoordigers en verpleegkundige hierbij overeengekomen zijn -de termijn waarbinnen het beoogde resultaat behaald moet zijn -de wijze waarop nagegaan wordt of het beoogde resultaat behaald is -welke verpleegkundige(n) het verpleegplan uitvoert(en) | |
| Verpleegprobleem | Verschijnsel(en) waarop de verpleegkundige zich richt, problemen die feitelijk optreden of op basis van deskundigheid zijn te voorzien als het gaat om fundamentele levensverrichtingen van het individu als gevolg van gezondheidsverstoringen. | |
| Verplegen | Het beroepsmatig ondersteunen en beïnvloeden van de vermogens van de zorgvrager bij feitelijke of potentiële reacties op gezondheids- en/of daaraan gerelateerde bestaansproblemen en op behandeling of therapie, om het evenwicht tussen draagkracht en draaglast te handhaven of te herstellen. | |
| Verschillenanalyse | Analyse van de oorzaken van de verschillen (afwijkingen) tussen een budget enerzijds en de feitelijke kosten of uitgaven (of opbrengsten) anderzijds | |
| Verstoord slaappatroon | Verandering in de duur of kwaliteit van de nachtrust die ongemak veroorzaakt of een belemmering vormt voor de gewenste manier van leven. | |
| Verstoorde verbale communicatie | De mate waarin een individu minder goed of niet in staat is om informatie over te brengen of van een ander te ontvangen. Er zijn problemen met het uitwisselen van gedachten, ideeën of wensen. | |
| Vertekening | Zie: bias | |
| Verwijtbaar | Een incident, complicatie of adverse event is in retrospect verwijtbaar als na systematische analyse van de gebeurtenis(sen) blijkt dat de zorgverlener is tekort geschoten en/of onzorgvuldig is geweest in vergelijking met wat van een gemiddeld ervaren en bekwame beroepsgenoot in gelijke omstandigheden had mogen worden verwacht. | |
| Verzorgende | Beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg: biedt hulp op die plaatsen en die momenten waar in de primaire leefomgeving van de zorgvrager aanvulling nodig is. De primaire leefomgeving kan het eigen huishouden van de zorgvrager zijn, maar ook een vervangende leefomgeving, zoals een verzorgingshuis, een verpleeghuis, of een woonvorm voor lichamelijk of verstandelijk gehandicapten. Het uitgangspunt van de zorgverlening is de handhaving en stimulering van de zelfredzaamheid van de zorgvrager. Waar de zelfredzaamheid van zorgvragers op somatisch of psychosociaal gebied te kort schiet, zullen de verzorgenden die stimuleren, ondersteunen of compensatie voor de beperking of handicap bieden. | |
| Vijfstapsmethode | Besluitvormingsproces o.b.v. evidence based practice, bestaande uit: 1. Het klinische probleem vertalen in een beantwoordbare vraag 2. Het efficiënt zoeken naar het beste bewijsmateriaal 3. Het wegen van de gevonden evidence op methodologische kwaliteit en toepasbaarheid in de eigen situatie 4. Het nemen van een beslissing op grond van dit proces 5. Het regelmatig evalueren van dit proces | |
| VIKC | Verenigde Integrale KankerCentra | |
| Visie | In een visie staat beschreven hoe de organisatie in een voorliggende periode gestalte denkt te geven aan haar missie. | |
| Vlottende activa | Bezittingen die op korte termijn in geld omzetbaar zijn of dat reeds zijn. | |
| Voorlichting (aan patiënt) | Plannen, uitvoeren en beoordelen van een voorlichtingsprogramma dat is toegespitst op de specifieke behoeften van de patiënt. | |
| VPV | Vereniging Patiëntenvoorlichting | |
| Vraaggerichte zorg | Bij vraaggerichte zorg doet de zorgaanbieder nadrukkelijk moeite om de bestaande zorgverlening aan te passen aan de specifieke behoeften en wensen van de individuele patiënt en zo veel mogelijk af te stemmen op de behoeftes van de zorgvrager. | |
| Wachttijd | Tijd die het duurt alvorens een zorgvrager behandeld, verpleegd, verzorgd of gehuisvest wordt | |
| WBP | Wet Bescherming Persoonsgegevens | |
| WCC | Werkgroep Coderingen en Classificaties | |
| Welbevinden | Geuite mate van tevredenheid over de gezondheidstoestand | |
| Werkbelasting | De subjectief ervaren werklast of de psychosociale of psychosomatische gevolgen van een bepaalde werklast. | |
| Werkdruk | De subjectief ervaren werklast of de psychosociale of psychosomatische gevolgen van een bepaalde werklast. | |
| Werklast | De hoeveelheid werk die gedaan moet worden | |
| Wetenschappelijke kennis | (in de verpleegkunde): Kennis, niet alleen opgedaan uit de verplegingswetenschap, maar ook uit andere vakgebieden | |
| WGBO | Wet Geneeskundige BehandelingsOvereenkomst | |
| WHO | World Health Organisation | |
| WHOQOL | World Health Organization Quality Of Life | |
| Wijsheid, praktische | Wijsheid opgedaan door traditie en door vallen en opstaan | |
| WKCZ | Wet Klachtrecht Cliënten Zorgsector | |
| WMO | Wet Maatschappelijke Ondersteuning | |
| Wond | Verbreking van de continuïteit van weefsel; beschadiging van de huid. (Om verwondingen aan andere weefselstructuren dan de huid te benoemen worden termen als letsel, contusie (= kneuzing), fractuur of ruptuur gebruikt.) | |
| WVG | Wet Voorzieningen Gehandicapten | |
| Zelfbeschadigend gedrag | Het zichzelf toebrengen van indirect letsel, zoals vergiftiging door het slikken van pillen, overmatig alcohol- en/of drugsgebruik, en (voornamelijk in de Engelse literatuur) ook suïcidepogingen. | |
| Zelfkennis | De mate van openstaan voor jezelf, zelfinzicht en zelfontplooiing | |
| Zelfmanagement | Zelfmanagement staat voor: mensen met een chronische aandoening in staat te stellen zelf besluiten te nemen en uit te voeren, het vertrouwen in het eigen kunnen te versterken en voor het aanreiken van een methodische aanpak om persoonlijke doelen te realiseren. | |
| Zelfsturend programma | Programma dat zodanig is ingericht dat de student dit zelfstandig kan doorwerken | |
| Zelfsturend team | Organisatiestructuur waarbij de diverse disciplines geen eigen, afzonderlijk management (meer) hebben | |
| Zelfsturing | Het vermogen om zelfstandig te leren | |
| Zelfverwondend gedrag | Het zichzelf herhaaldelijk en op een directe manier toebrengen van lichte tot ernstige vormen van verwondingen aan de oppervlakte van het lichaam, zonder bewuste suïcidale intentie. | |
| ZIP | Zorg Innovatie Platform | |
| Zorgactant | Persoon, organisatie en/of voorziening die actief betrokken is bij een zorgactiviteit | |
| Zorgactiviteit | Activiteit die voor een zorgontvanger wordt uitgevoerd door een zorgactant met als doel het rechtstreeks of indirect verbeteren of handhaven van de gezondheid van die zorgontvanger. | |
| Zorgactiviteit, aanvullende | Activiteit die voor een zorgontvanger wordt uitgevoerd door een willekeurige andere zorgverleningspartij dan een zorgverlener. | |
| Zorgcoördinatiestructuur | Organisatiestructuur waarbij de coördinatie van de totale zorg van zorgvragers door interdisciplinair overleg tot stand komt. | |
| Zorgdoel | Gewenste resultaat van een zorgplan, dat wordt beschouwd als een tussenliggende operationele stap om de uiteindelijke doelstelling van een zorgprogramma te bereiken. | |
| Zorgdossier | Verzameling van informatie met betrekking tot de gezondheid van een zorgontvanger | |
| Zorginnovatie | Zorginnovatie staat voor het vernieuwing van producten, productieprocessen, diensten of dienstverleningsprocessen, met inbegrip van de wijze waarop de arbeid isgeorganiseerd. Dit ter versterking van het verlenen van patiëntgerichte zorg aan chronisch zieken of ouderen in een netwerk van zorgaanbieders of ter verhoging van de effectiviteit van de arbeid die wordt geleverd voor het verlenen van zorg aan chronisch zieken of ouderen. | |
| Zorgketen | Organisaties die in een keten samenwerken noemen zich een zorgketen. | |
| Zorgmanagement-structuur | Organisatiestructuur waarbij de coördinatie van de totale zorg van zorgvragers door disciplineoverstijgend management tot stand komt | |
| Zorgmandaat | Mandaat dat aan één zorgverleningspartij is verleend voor het verlenen van zorgdiensten aan een zorgontvanger, evenals het lokaal beheer van de informatie die betrekking heeft op de gezondheid van die zorgontvanger. | |
| Zorgontvanger | Persoon die volgens een planning zorgverleningsdiensten zal ontvangen, of die zorgverleningsdiensten ontvangt of heeft ontvangen. | |
| Zorgpad (ook: klinisch pad) | Een verzamelling van methoden en hulpmiddelen om de leden van het multidisciplinaire en interprofessionele team op elkaar af te stemmen en taakafspraken te maken voor een specifieke patiëntenpopulatie; concretisering van een zorgprogramma, met als doel: kwalitatieve en efficiënte zorgverlening te verzekeren. | |
| Zorgpakket | Verzameling zorgverleningsdiensten die moeten worden uitgevoerd, die worden uitgevoerd of die werden uitgevoerd voor een zorgontvanger door een of meer zorgverleners met betrekking tot één keten van gezondheidskwesties, in het kader van een zorgplan of een zorgprogramma. | |
| Zorgperiode | Tijdsinterval waarin een of meer contacten plaatsvinden tussen een zorgontvanger en een zorgverlener in het kader van een zorgmandaat. | |
| Zorgplan | Beschrijving van geplande en persoonlijke zorgpakketten waarin een of meer gezondheidskwesties worden behandeld, en die alle door een zorgprofessional aan een zorgontvanger te verlenen zorgdiensten omvatten. | |
| Zorgprofessional | Persoon die actief is in de rechtstreekse verlening van zorgdiensten | |
| Zorgprogramma | Beschrijving van geplande en persoonlijke zorgpakketten die door één zorgverleningsorganisatie zijn aangenomen, doorgaans van informatie voorzien middels een of meerdere protocollen, ter behandeling van een of meer gezondheidskwesties, waarbij rekening wordt gehouden met een of meer ketens van gezondheidskwesties, en die alle zorgactiviteiten omvatten die door een of meer zorgverleningspartijen moeten worden uitgevoerd voor een zorgontvanger. | |
| Zorgresultaat | Een zorgresultaat beschrijft de algemene toestand, gedraging of opvatting van een patiënt die voortvloeit uit een verpleegkundige interventie. | |
| Zorgsituatie | Het geheel van omstandigheden aangeduid (intra-, semi, extra- of transmuraal) waarin het verplegend en verzorgend personeel zorg verleent aan een individu, groep of populatie. | |
| Zorgverlener | Zorgprofessional of zorgverleningsorganisatie die actief is in de rechtstreekse verlening van zorgdiensten | |
| Zorgvoorziening | Voorziening of apparatuur die wordt gebruikt bij de verlening van zorgdiensten | |
| Zorgvraag | Vraag die wordt uitgesproken door een zorgverleningspartij voor het verlenen van zorgdiensten aan een zorgontvanger. | |
| Zorgzwaarte | De hoeveelheid zorg die een bepaalde zorgvrager nodig heeft | |
| Zorgzwaartepakket | Een bepaalde categorie zorgvragers in de care-sector waarvoor op basis van hun zorgzwaarte een bepaald tarief is vastgesteld | |
| Zuivering | Het resultaat van kritische reflectie op eigen waardeoordelen en verklaringen, dat ruimte schept voor de ander om te verschijnen zoals hij kan en wil zijn. | |
| ZZP | ZorgZwaartePakket: een bepaalde categorie zorgvragers in de care-sector waarvoor op basis van hun zorgzwaarte een bepaald tarief is vastgesteld. |
